‘Ik zou het leven nog een keer moeten kunnen leven’

In woonzorgcentra wonen veel mensen zonder de partner met wie ze vaak meer dan een half leven samen zijn geweest. Zo ook mevrouw Claassen-Janssen. Ze is 92 en ruim drie jaar geleden overleed haar man Cor. In haar hoofd zijn de herinneringen niet altijd meer even goed geordend. Maar het verleden dat het verste weg is, blijft helder. ‘Mijn vader werd rangeermeester bij het spoor. In de oorlog werkte hij vooral ’s nachts. Dan kwam hij thuis en zei: Oh, die èrm mienschen.’

 Mevrouw Claassen-Janssen thuis in Asten. ‘Mijn man viel me meteen op. Hij had donker haar en was nogal lang. Maar hij was ook armoedig gekleed. Er was niets na de oorlog.’  Foto’s: Leon van Loon.

Mevrouw Claassen-Janssen thuis in Asten. ‘Mijn man viel me meteen op. Hij had donker haar en was nogal lang. Maar hij was ook armoedig gekleed. Er was niets na de oorlog.’  Foto’s: Leon van Loon.

Mevrouw Claassen-Janssen zit aan het raam van haar appartement in Woonzorgcentrum de Lisse in Asten. Ze wrijft over de armleuningen van haar stoel. Hij is van bruin leer en met de jaren zijn de plekken onder haar armen ietwat lichter van kleur geworden, net als de randen en de poten. Vlak onder haar linkerhand zijn in verticale lengte twee stukken tape getrokken, enkele naden kringelen eronderuit. ‘In deze stoel zat mijn man altijd’, zegt mevrouw Claassen. ‘Hij is zó versleten, maar die doe ik niet weg.’

Ze schudt haar hoofd. Dan glimlacht ze voorzichtig. Met haar man Cor was ze zeker vijftig jaar getrouwd, weet ze. Maar het exacte jaartal… ‘Eens even kijken...’, zegt ze. Haar blik laat ze de verte in gaan. Als de feiten ter spraken komen, is het in haar hoofd soms wat mistig. Herinneringen verschijnen echter helder voor haar geest.

Dan reikt ze naar het kastje naast haar. Ze pakt één van de drie fotolijstjes. ‘Kijk.’ De foto is uit de tijd dat afdrukken nog gelig waren van kleur. Op het beeld is enkel de arm van een man zichtbaar: op zijn hand zit een kleine vogel. Het is de arm van Cor, de man met wie Mia Claassen-Janssen 65 jaar getrouwd was, zo zal haar dochter later vertellen.

Het is nu drieënhalf jaar geleden. Dat hij is overleden. Cor en Mia Claassen woonden toen ruim zes jaar in het woonzorgcentrum. ‘Hij vond het hier fijn. Mijn man was vrij slecht. Daardoor was hij dikwijls opstandig. Omdat hij niet zo veel meer kon. Hij was altijd actief geweest, zijn hele leven.’

Ze laat een stilte vallen. ‘Mijn man… Hij kon geweldig gitaar spelen. En piano. In Beieren kwamen we graag. Voor de natuur en de muziek. Volksmuziek, daar hielden we van. We verbleven dan bij mensen op een boerderij. Mijn kinderen gaan er nu nog weleens heen, naar Tante Rosa. We hebben drie dochters: Carla, Marlies en Ilse.’

"Mijn zus en ik werden in de oorlogstijd overal naartoe gestuurd om te helpen"


Mevrouw Claassen-Janssen werd geboren in het gehucht de Weerd, vlak bij Roermond. Daar groeide ze op in een gezin met zeven kinderen: twee meisjes en vijf jongens. Haar vader werkte als spoorbeambte, haar moeder deed het werk in het huishouden en op de boerderij. ‘Mijn moeder heeft altijd hard gewerkt, vaak ging ze naar het land zodat mijn vader dat niet meer hoefde te doen als hij thuiskwam van het werk. En mijn zus en ik werden in de oorlogstijd overal naartoe gestuurd om te helpen in de gezinnen. Toen woonden we al in Eindhoven. Iedereen had een boerderij, maar daar kon je niet van leven. Dan kregen we bijvoorbeeld melk mee voor het werk dat we deden. Zo ging dat. Mensen ruilden onderling.’

Het gezin Janssen moest in 1937 verhuizen toen vader door de Nederlandse Spoorwegen werd overgeplaatst naar Eindhoven. ‘We moesten de boerderij achter ons laten. Dat vonden mijn ouders heel erg. Mijn vader werd rangeermeester bij het spoor. In de oorlog werkte hij daar vooral ’s nachts. Dan kwam hij thuis en zei hij: Oh, die èrm mienschen; die arme mensen, op zijn Limburgs. De wagons zaten vol met Joden, ze hadden maar een dun spleetje verluchting. Het stonk daar verschrikkelijk, vertelde mijn vader. Er was geen wc, niets. En daar zaten die mensen soms dagen in, zonder eten.’

‘Als de Duitsers niet opletten, staken de Joden briefjes door de spleetjes’, vervolgt ze. ‘Mijn vader nam ze aan en gaf ze af bij de pastoor; die bezorgde ze bij de families. Voor mijn moeder was dat moeilijk. Ze was altijd erg down als mijn vader thuiskwam met verhalen. Het was gevaarlijk wat hij deed, maar hij kon het niet aanzien, al die mensen die werden getransporteerd…’

"De wagons zaten vol met Joden, ze hadden maar een dun spleetje verluchting"


Na de oorlog bleef het gezin in Eindhoven. ‘Maar toen mijn vader gepensioneerd was, kwam onze boerderij in de Weerd weer vrij. Oh, daar hebben ze nog zo’n fijne tijd gehad. Onze kinderen ook, die vonden het zó fijn bij opa en oma in de Weerd. Daar stonden honderd fruitbomen en bij de buren gingen ze kijken als er kalfjes werden geboren.’

Toen haar ouders teruggingen naar Limburg was mevrouw Claassen al getrouwd. Ze bleef in Eindhoven wonen met haar gezin. Vlak na de oorlog had ze haar man leren kennen bij de korfbalclub. Daar was hij op een dag zomaar eens binnen gelopen. ‘Ik weet het nog heel goed. Hij viel me meteen op. Hij had donker haar en was nogal lang. Maar hij was ook armoedig gekleed. Er was niets na de oorlog. Daarna zijn we een paar keer gaan dansen en zo is het gebleven. Ik zei: Maar er zijn zoveel meisjes. Dan zei hij: Maar niet zoals jij.’

 ‘Na de oorlog liep mijn man van Berlijn naar Eindhoven. Weken is hij onderweg geweest.’

‘Na de oorlog liep mijn man van Berlijn naar Eindhoven. Weken is hij onderweg geweest.’

Ook haar man werkte tijdens de oorlog als dwangarbeider in een fabriek in Duitsland; Philips maakte een lijst voor de Duitsers van de werknemers die niet getrouwd waren. ‘Na de oorlog zouden ze de mensen daar komen ophalen. Maar daar wilde mijn man niet op wachten. En hij is gaan lopen. Van Berlijn naar Eindhoven. Weken is hij onderweg geweest. Hij kwam hier aan op halve sloffen, hij had bijna niets aan zijn voeten. Daarna heeft hij zijn oude werk bij Philips Nederland teruggekregen. En bij een gelegenheid werd hij ook gevraagd om te zingen en piano of gitaar te spelen. Mijn man was lid van een dansorkest, hij speelde contrabas en was de zanger. Ze speelden in de weekenden in Zuid-Nederland en België. Zo heeft hij een mooi centje bijverdiend. Ik hield ook heel erg van zingen.’

"Ik denk er dikwijls over na als ik niet kan slapen: zou er nog een hemel zijn? Maar ik geloof niet dat ik mijn man nog zie na de dood"


Ze mist hem. ‘Het samen fietsen. Dat mis ik het meest. Dat deden we zo graag. We hebben zo veel gezien.’ Ze knikt en zwijgt even. ‘Ik ben zo blij met mijn kinderen. Als ik zie wat ze allemaal voor mij sjouwen. Mijn man was ook stapel op zijn kinderen.’ Weer een stilte. Dan: ‘Ik denk er dikwijls over na als ik niet kan slapen: zou er nog een hemel zijn? Maar ik geloof niet dat ik mijn man nog zie na de dood.’ Ze schudt haar hoofd. ‘Eigenlijk zou ik het leven nog een keer moeten kunnen leven.’

Dit artikel verscheen in Savant Magazine, een halfjaarlijks tijdschrift van Savant Zorg.

Op deze pagina regelmatig het verhaal van de 'gewone man' (en/of vrouw). Omdat ieder zijn wereld heeft.