De dinsdag van Opi en Omi Brom

Per toeval schoof ik aan tafel bij Opi en Omi Brom. Uitgerekend op een dinsdag. De dag dat hun kleinkinderen op bezoek zijn. 'Ik kan uren over 't Stuivertje vertellen. Maar dat is niet verstandig.'

Het blauw van de lichtbalk bovenop de cabine glinstert in de zon. De sirene verstomde al jaren geleden, vertelt het voertuig dat in zijn reis door de jaren het oorspronkelijk wit is verloren. De brandweerauto rust fier naast de schuur van het rustieke optrekje aan het Eind in Riethoven.
Bij de voordeur geen bel. Wel twee stoelen die sierlijk de doorgang belemmeren; hier loop je gewoon achterom. 

Op het binnenplaatsje rusten drie kinderfietsen op hun standaard. Kleine lichtjes achter de keukenraampjes bieden zicht op een bewegende gestalte. Het silhouet van een vrouw krijgt een gezicht als ze zich richting het raam beweegt. De schuifpui piept open. Onder opgetrokken wenkbrauwen turen twee ogen door een klein montuur naar buiten.

De geur van verbrand hout ademt een warme eenvoud die in dit huis nog leeft


'Hallo?', klinkt het. 'De brandweerauto?' De vrouw draait zich om en werpt een blik naar een man. Aan de kop van de tafel bewaart hij het overzicht. Links en rechts van het eikenhouten blad klinken felle kinderstemmen. Hij trekt met zijn mond die daarna voorzichtig lacht. 'Hobby', zegt hij innemend. 'Af en toe rijd ik een rondje.'

De geur van verbrand hout ademt de warme eenvoud die in dit huis nog leeft. Aan de lampen hangen tientallen foto’s en kaarten. Elke hoek in het huis laat zien: hier wordt geleefd.
'Ik ben Lotte', zegt een blond meisje aan de rechterkant van de tafel. Ze wijst naar de drie jongens tegenover haar. 'En dat zijn mijn twee broertjes en Max. Wij eten elke dinsdagmiddag bij opi en omi. Straks na school komen mijn neefje en nichtjes. Dan eten we met zijn allen.'

 Opi en Omi Brom met hun kleinkinderen Joep, Gust, Max en Lotte.

Opi en Omi Brom met hun kleinkinderen Joep, Gust, Max en Lotte.

Appelbollen
Opi laat opnieuw zijn mondhoeken in zijn bolle wangen krullen. Nu niet als antwoord, maar van genoegen. 'Paul Brom', noemt opi zijn naam. Omi Mieke schuift nieuwe lekkernijen op tafel. 'Vanavond krijgen ze een maaltijdsoep van bonen en daarna pannenkoeken. Dat was de wens. Ze konden ook kiezen voor zuurkool of witlof.' Ze zet de koffie op tafel, net als de suiker en de melk. 'De kinderen eten eerder. Die gaan hockeyen. Dan zitten wij hier met acht of negen volwassenen aan tafel. Heel gezellig. We hebben vier kinderen. Serge, Niels, Albert en Marieke. Max is de zoon van een nichtje van mij, Carina. Haar ouders zijn overleden en dus zijn wij pseudo-opa en -oma voor Max.'

Vijfenveertig jaar is het stel getrouwd; even zoveel jaren als ze aan het Eind wonen. 'Ik werkte in Valkenswaard als particulier verpleegkundige. Zijn vader kwam bij ons.'
'Hier, snij jij die efkes?' En ze schuift de vers gebakken koeken onder de neus van haar man.
'Ik kom uit Valkenswaard', zegt hij.
'En omi is in de Tweede Wereldoorlog geboren. In België', klinkt het uit de mond van Gust.
'Dat is niet helemaal waar. In Reusel', zegt ze.
Dat zijn over de schutting gegooide Belgen', grinnikt haar man.
'Liefde op het eerste gezicht? Nee…. Ik kwam bij hem thuis en hij had appelbollen gebakken.'
'Dat doe ik nu niet meer, hoor.'
'Hij tracht af te vallen.'
Paul Brom lacht. 'Ik was een pitbull. Vasthoudend. Ik ben vier jaar jonger, maar leek ouder.'
'Hij was toen al kaal.'

't Stuivertje
Mieke ging uiteindelijk toch overstag voor de verzekeringsman. 'Nee, ik ben geen brandweerman geweest. De brandweerauto was van de BB: de Bescherming Bevolking. Daarna van het Rode Kruis. Nu van mij. Hij had heel weinig gelopen. Ik rijd soms een rondje. Dat vind ik mooi. En er zit een laadklep op. Handig voor het hooi voor de paarden. Nee, ik ben ook geen boer.'
Hij wacht even. 'Ik had jarenlang een tuincentrum. Welke? ’t Stuivertje. In Eersel. Ja, daar waar nu Oogenlust zit.' Hij trekt even met zijn mond. 'Ik kan er uren over vertellen. Maar dat is niet verstandig.'
'Op ’t Stuivertje was het altijd leuk', vindt Lotte. 'Er waren paarden. Daar ben ik gek op. Het was er heel groot. Toen opi en omi daar weggingen, hebben we een groot feest voor hen gegeven.'
'Een afscheid is moeilijk. Ja. Ja. Natuurlijk. Het is toch je levenswerk.' 

"Woede? Nee, die ken ik niet. Spijt? Ook niet. Zeer, dat doet het wel"


Citroën
Zijn vrouw knikt innemend. Hij vouwt zijn korte vingers in elkaar op zijn uit stekende buik. Zijn toon is kalm, zijn woorden zacht. 'Vijfendertig jaar. We hadden grootse plannen. Maar ik zei al: het is niet verstandig daarover te vertellen. Ik zal je nog eens een hobby laten zien.' 
Hij duwt zich uit zijn stoel, schuift de deur open en stiefelt over zijn erf. Hij wijst naar de schuur. 'Kijk maar eens.' Opnieuw een vrachtwagen. Niet van de brandweer, maar groen en wit; een Citroën. 'Hij is net terug van de spuiter. Ik moet hem nog wat afwerken. En dan? Dan gaan we toeren. Waarnaartoe? Geen idee. Dat zien we wel. Dat is het mooie. Ik moet niets meer nu de zaak verkocht is. Ik heb zat te doen, maar de noodzaak is weg. Wennen? Nee, ik bouwde tijdens de laatste drie jaar van ’t Stuivertje al af. In 2008 zou het verkocht worden, maar wegens de crisis ging dat niet door; een maand voor de overdracht. Dus toen zat ik daar maar. Tot 2011. Toen kwam de verkoop er alsnog. De man die het kocht, gaat met de dochter van de wethouder. Ze hebben me gewoon goed bij mijn neus gehad. Maar nogmaals: het is niet verstandig daarover te vertellen.'

"Als ge tegen het gemeentehuis aan pist, droogt dat nooit op"


Doodzonde
Hij loopt de schuur uit. Zijn hoofd gebogen als hij in gedachten teruggaat in de tijd. 'Het blijft doodzonde. Dat wel. Toen wij er zaten, mocht er niks. Geen woonhuis bouwen, de kwekerij niet uitbreiden. Nu staat er een woonhuis en al. De waarde van de grond is enorm gestegen. Ik heb er goed aan verdiend, daar niet van. Maar het had nog meer kunnen zijn. Och, het gaat me ook niet om het geld. Ik wilde daar gewoon echt iets van maken, iets moois neerzetten. Dat probeerden we. Maar nee, dat is niet gelukt. Woede? Nee, die ken ik niet. Spijt? Ook niet. Zeer, dat doet het wel. Ja. Ja. Door alles wat eromheen hangt. Maar als ge tegen het gemeentehuis aan pist, droogt dat nooit op. Het is nu eenmaal zo.”

'En nou heb ik het toch verteld. Och ja, het hoort bij mijn leven.' Hij haalt zijn schouders op en loopt van de Citroën naar zijn brandweerauto. Hij recht zijn rug. De glinstering van de lichtbalk lacht hem toe.

Op deze pagina regelmatig het verhaal van de 'gewone man' (en/of vrouw). Omdat ieder zijn wereld heeft.