‘Mensen denken dat de wolf van Roodkapje terug komt, oei, oei, oei…’

De wolf is terug in België en beet twee schapen dood. Waar boeren en angstige bewoners roepen om haar dood is Dirk Draulans een gelukkig mens. ‘Laat haar gerust!’ Een kijkje in de ziel van de Vlaming die als kind al streed voor het behoud van de natuur en met de terugkeer van de wolf zijn levensmissie indirect ziet slagen. ‘Het is dan tóch niet zinloos geweest, het bestaan.’

 Foto's: Dirk-Jan van Dijk

Foto's: Dirk-Jan van Dijk

Aan de rand van het poldergebied lijkt de natuur deze ochtend gevangen in een stilleven. De nachtelijke vorst heeft de beekjes die het natuurgebied van de akkers scheiden dichtgelegd, het water van de polders glimt mat in het door vrieskou onderdrukte leven. Slechts een plukje eenden en zwanen trotseert de ijzige kou, in stilte. Om hen heen leven de toppen van het riet soms even op, om dan weer het hoofd te buigen.

 

Dirk Draulans is een Belgisch bioloog, journalist en schrijver. Hij werd geboren in het Kempische dorp Dessel en studeerde aan de Katholieke Universiteit van Leuven. In 1983 promoveerde hij tot doctor in de wetenschappen. Ruim dertig jaar geleden werd hij wetenschapsjournalist bij tijdschrift Knack.

Op het pad naast Doelpolder Noord is de tred van Dirk Draulans (61) ferm. Zijn rechterarm heeft hij om de telescoop geslagen die op zijn schouders rust, om zijn nek bungelt een verrekijker. Zijn handen heeft hij in dikke wanten gestoken en de kraag van zijn jas reikt tot aan zijn lippen. ‘Dit is mijn lievelingsplek’, zegt de bioloog en journalist, en bestijgt dan met snelle passen het trapje van de polderdijk. Bovenaan laat hij het statief van zijn rug glijden en schuift het open voor een van de gaten van de vogelkijkwand. ‘Hier kan ik uren blijven staan, zeker in het broedseizoen als er van alles beweegt. Dan ligt er hier een hele kolonie vlak voor de wand.’

Deze dag belooft een rustige te worden; de winter is wakker geworden en heeft de natuur in een diepe slaap gesust. Op de achtergrond klinkt het geraas van scheepsmotoren in de haven van Antwerpen. Draulans tuurt door het oog van de telescoop. ‘Ah, vier knobbelzwanen, geen vier kleine zwanen’, mompelt hij.

Hij komt rechtop. Met het blote oog neemt hij het geheel in zich op. Hij duwt zijn hoofd lichtjes voorover, zijn ogen knijpt hij tot spleetjes. De wind aait zijn krullen. ‘Daar vliegt alles op’, wijst hij. ‘Het kan zijn dat er een roofvogel aan komt.’ Op routine duwt hij zijn verrekijker tegen zijn ogen. ‘Allemaal smienten.’ Hij is even stil en trekt met zijn mond. Dan: ‘Ah, ja! Daar hangt een roofvogel boven. Hij komt naar hier gevlogen. Eens kijken wat dat is… Ah, een bruine kiekendief! Vrij zeldzaam, hoor.’

 ‘Ik heb tientallen jaren geleefd in een context waarin natuur gewoon verdween. Constant, aan de lopende band.’

‘Ik heb tientallen jaren geleefd in een context waarin natuur gewoon verdween. Constant, aan de lopende band.’

Conflictgebied

Letterlijk onder de rook van het indrukwekkende imperium van de haven biedt het gebied een surrealistisch beeld. Wie bovenop de polderdijk staat, ziet aan de ene kant de beweging van vogels, zwanen en eenden in een decor van een natuur in rust, op de achtergrond kale bomen en enkele boerderijen in hun nog historische staat. Het karakteristieke gehucht Oude Doel had in de plannen van weer een uitbreiding van de haven aanvankelijk moeten verdwijnen voor gecompenseerde natuur, zoals ook op dit stuk nieuwe natuur boeren geconfronteerd werden met gedwongen landonteigening. In de hernieuwde plannen mag het dan toch blijven bestaan.

‘Ik kan mij niet conformeren aan wat moet’


En dan is er de andere kant, waar akkers zijn omgeploegd en aan de horizon elektriciteitspalen en havenkranen zijn gehuld in een heiige sluier. De zon laat zich met moeite zien door de pluimen die de kerncentrale van Doel de lucht in stuwt. De natuur, landbouw en industrie; gevangen in één beeld. ‘En ik zit daar als groene jongen middenin.’

Te midden van dit verscheurde gebied woont Draulans, waar langs de kant van de weg het drab van lekkende hooibalen de polders in sijpelt en de uitstoot van de industrie het bodemleven vervuilt. En daar maakt Draulans zich druk om, van binnen. Zich er voortdurend over opwinden doet hij niet langer meer. ‘Ik verbaas mij daar niet meer over.’

 Zoals een sterrenkundige het heelal in tuurt, beziet Draulans zijn universum. ‘Die schoonheid… Ik kan daar mateloos van genieten. Het feit alleen al dat het er nog ís, zulke natuur.’

Zoals een sterrenkundige het heelal in tuurt, beziet Draulans zijn universum. ‘Die schoonheid… Ik kan daar mateloos van genieten. Het feit alleen al dat het er nog ís, zulke natuur.’

Het is daarnaast vooral ook een plek waar nog veel natuur is; het meest interessante gebied voor vogels in Vlaanderen bovendien. De van oorsprong vogelbioloog focust zich op die zeldzame schoonheid, een telescoop voor zijn neus. Zoals een sterrenkundige het heelal in tuurt, beziet Draulans zijn universum. Met de natuur als de kosmos, de vogels als zijn lichtpuntjes. Dan schiet hij omhoog. ‘Oh kijk! Een nijlgans! Dat was straf; die viel gewoon die kiekendief aan.’ Een stilte. Dan: ‘Zie, zie, zie! Allez jong! Nog een keer! Godverdieke. Dan denk je dat er niets te zien gaat zijn en dan krijg je dit.’ De natuur heeft altijd verrassingen. ‘Dat is ook hetgeen dat het zo plezant maakt. Die schoonheid… Ik kan daar mateloos van genieten. Het feit alleen al dat het er nog ís, zulke natuur.’

De wolf

De reden van de ontmoeting met Draulans is de terugkeer van de wolf in België. We zijn hier echter niet om wolven te spotten. Die hebben het niet zo op gebieden als deze: te open, te weinig beschutting. Wolvin Naya houdt zich in de Limburgse bossen goed verborgen voor de mens. Maar dat staat een gesprek met Draulans óver de wolf geenszins in de weg. 

‘De wolf stond altijd symbool voor het kwade in de natuur’, zegt hij. ‘Het verhaal van Roodkapje en de grote boze wolf heeft nog lang nageleefd in de mens; de wolf was een menseneter en hij moest vernietigd worden. Net als alle toppredatoren: de haviken, de vossen, de marters en de wolf – honderden jaren zijn die zwaar geviseerd geweest. En nu komen ze terug… Dat betekent dat de mensheid zo is geëvolueerd dat er terug ruimte komt voor die toppredator.’

Draulans heeft zijn oog nog altijd op de polders gericht, de stukken die werden aangelegd als vervanging van natuur die werd vernietigd voor de uitbreiding van de haven. ‘Ik heb tientallen jaren geleefd in een context waarin natuur gewoon verdween. Constant, aan de lopende band. Zo is de grootschaligheid verdwenen; de natuur is meer en meer in conflict gekomen met andere terreinen.’

‘De terugkeer van de wolf staat symbool voor de hervonden tolerantie van de mens’


Veelal zijn dat de domeinen van de mens. De gevolgen zijn funest, meent Draulans. ‘Ofwel wordt die natuur landbouwgrond of je krijgt van die rechtelijnendennebomenplantages. Daarnaast is acht procent van de open ruimte in Vlaanderen tuin. Nou, ja, tuin… Een groen betonneke met wat exotische planten erop. Dat heeft geen enkele waarde meer voor de natuur.’

In de laatste tien jaar veranderde de tendens, merkte Draulans. ‘Inmiddels is natuur- en milieubescherming een breed gedragen concept. Steeds meer mensen maken zich daar zorgen over. Toen ik als jongen bij de Wielewaaljongeren (jongerenvereniging voor natuurstudie en –behoud, red.) zat, waren wij een raar clubje van naïeve idealisten. Zo werden wij opzij gezet. De groene jongens, de geitenwollensokkendragers, de linkse rakkers en wa wast allemaal. Nu wordt er natuur bij gemaakt ter compensatie van wat er verdwijnt.’

‘Voor mij staat de terugkeer van de wolf symbool voor die verandering: hij staat voor de hervonden tolerantie van de mens ten opzichte van echte natuur; er komt weer ruimte voor die dieren. Dáárom vind ik dit soort projecten als Doelpolder Noord zo belangrijk. Ja, natuurlijk: ons ecosysteem is veranderd, maar de wolven, en ook de lynxen, passen zich blijkbaar aan. Dan denk ik: Yes! Het is dan tóch niet zinloos geweest, het bestaan. Dat geeft zó’n voldoening.’

 Het conflictgebied: natuur, landbouw en industrie. 

Het conflictgebied: natuur, landbouw en industrie. 

Niet liggen chipoteren

Het liefst ziet Draulans de natuur zo origineel mogelijk; dat wat er vanuit de oorsprong zelf wordt gecreëerd. Maar het havengebied legt de pijnpunten van de huidige wereld op enkele hectaren grond pijnlijk bloot: in de maatschappij waarin we vandaag leven gaat dat niet meer. En zo wordt het kiezen tussen twee kwaden: originele akkers met een door de landbouw verruïneerd bodemleven of aangelegde natuur die zijn oorsprong mist. ‘Maar waarom moet de natuur dan ineens zélf iets zijn, zoals het er tweehonderd jaar geleden lag?’, vraagt Draulans zich af. ‘Terwijl de landbouw er ondertussen wel op mag met tractoren en pesticiden, die er tweehonderd jaar geleden óók niet waren? Waarom zou de natuur niet mogen evolueren en de landbouw wel? Nee: “Natuur moet historisch zijn”, terwijl dat voor deze vogels en planten geen rol speelt. Die kunnen nergens anders meer naartoe; die zijn content dat ze zo’n plek als deze vinden. Er zijn al zó veel dieren uitgestorven.’

‘Mijn vader was kernenergie-ingenieur. Als tiener had ik regelmatig clashen met hem over zijn job’


Onderweg naar Doelpolder Noord had Draulans nog gewezen op de plassen van de Putten Weiden, het enige stukje originele natuur dat er nog is in natuurgebied De Putten. In de nieuwe uitbreidingsplannen van de haven moet ook dat verdwijnen. ‘In zijn totaliteit wordt er 86 hectare natuur geschrapt. Ook de Putten Weiden wordt dan opgeofferd. Dat is het enige brakwaterkweldergebied dat er nog is. Die biotoop kun je niet namaken. Daar zitten van die heel zeldzame dierkes en kwelderplanten in. Kwelderkaarderspinnen, bijvoorbeeld. Dat zijn spinnekes die alleen in zo’n landschap leven. Die zijde dan dus kwijt, hè. Dat wordt wel gecompenseerd met nieuwe natuur, en goed gecompenseerd. Dat is nu onderdeel van de Europese regelgeving, anders was er wéér een stuk natuur gewoon verdwenen. Maar ik vind dat je niet op die manier moet gaan liggen chipoteren (knoeien, red.) in je land ten koste van een dorp of originele stukken natuur. Economische uitbreiding kan ongetwijfeld ook op andere manieren. Kijk naar de sector als de containervaart, die is aan het sputteren. Binnen tien jaar moet het weer anders en is de opoffering van de natuur misschien overbodig geweest. Ik vind dat wij als mens het recht niet hebben om zoveel natuur te ontnemen.’

DirkDraulans5DJvD.jpg

Kernenergie-ingenieur

We verkassen naar Draulans’ eigen biotoop. In de woonkamer leunt zijn fiets op het standaard, pal naast de deur; klaar om ieder moment de natuur in te rijden als hij, anders dan vandaag, alleen op pad gaat. ‘Ik houd er niet van om met de wagen naar de vogels te gaan kijken.’

Het enige stukje natuur dat in huis te vinden is, bevindt zich achter glas: het is een opgezette reiger. ‘Ik hou te veel van dieren om zelf een huisdier te hebben. Ik ben te weinig thuis. Dan moet je niet de hypocriet gaan uithangen.’

Voor het raam staat een witte stoel. Het zitvlak is wat rafelig. Op een kistje ligt een boekje over vogelsoorten opengeklapt, zijn verrekijker heeft hij ernaast gelegd. Ook hier heeft Draulans dat fameuze uitzicht: de uitgestrekte polders die eens landbouwgrond waren. ‘Ik kom traag op gang ’s morgens. Dan ga ik in die zetel zitten met mijn taske thee. Als in het voorjaar die eerste vogels terug zijn, ben ik die dag onwaarschijnlijk gelukkig. De natuur is de rustbrengende factor in mijn bestaan. Het geeft een geweldige voldoening dat het er nog is.’

‘Natuur en dieren gaan nooit veilig zijn als de mens in de buurt is’

DirkDraulans12DJvD.jpg

Draulans heeft het vaker gezegd en zal dat blijven doen: ‘dat het er nog is’. Het behoud van de natuur was al de leidraad in zijn leven toen hij als jonge gast in zijn geboortedorp Dessel de Kempische natuur introk. Op school en thuis was hij een buitenbeentje: een groene jongen die volgens zijn omgeving zijn tijd verdeed met het bestuderen van de natuur en dan vooral vogels. ‘Vooral mijn vader verzette zich daar tegen: “Ga iets nuttigs doen”, zei hij dan. Hij was kernenergie-ingenieur. Als tiener had ik regelmatig clashen met mijn vader over zijn job. Over kernafval en kernbommen en de nefaste effecten van kernenergie. Mijn vader is drie jaar geleden gestorven. Bij het bekijken van wat hij achterliet, vond ik een documentje. Op 28-jarige leeftijd had hij geschreven hoe hij zijn visie op kernenergie had ontwikkeld en dat de energieproblemen opgelost zouden worden met kernenergie. Hij werkte in de pionierstijd voor Belgonucleaire, een studiecentrum voor kernenergie in Mol. Als ik daar als zijn zoon tegenin ging, vond hij dat verschrikkelijk. Ik had nooit een engagement in mijn vader gezien, maar dat was er blijkbaar toch. Een ideologie. Achteraf vind ik het jammer dat ik dat documentje niet eerder heb gelezen. Dan had ik misschien anders op hem gereageerd.’

‘Ik ben een paar keer van huis weg gelopen. Niet fanatiek, hè, nooit voor lang, maar mijn vader was streng en verbood mij om met mijn vriendennatuurliefhebbers naar buiten te gaan. Op een gegeven moment trok ik me dat niet meer aan en bolde ik het gewoon af. Ik kan mij niet conformeren aan wat moet. Oké, een vorm van organisatie is best nodig. Belasting betalen; ik vind dat ook niet plezant, maar dan houd ik mezelf voor dat er iets nuttigs mee wordt gedaan. Dat het gebruikt wordt om Doelpolder Noord in te richten, bijvoorbeeld. En niet om het salaris van onze minister (van Omgeving, Natuur en Landbouw, red.) Schauvliege mee te betalen.’

‘Ik zou het als een persoonlijk falen ervaren als een van de mensapen uitsterft’


Als de dood

De ideologie die Draulans tot op de dag van vandaag drijft, ontstond niet door opgelegde waarden of de maatstaven waarmee hij opgroeide. Hij werd er mee geboren en leefde sindsdien volgens zijn eigen wetten. ‘Onze Wielewaaljongerenafdeling was je reinste anarchie. Daar werden geen vergaderingen belegd, alles gebeurde organisch, we trokken ons van niks iets aan. Wij hadden dat ook niet nodig; de erkenning van de ouders of de erkenning van het systeem. We waren blij met de groep, een man of 25 die gezamenlijk bezig was voor de goede zaak. Als jonge snaak heb ik illegale weekendverblijven afgebroken en netten voor illegale vogelvangst vernietigd. We vonden dode buizerds die vergiftigd waren door jachtwachters. Ik heb heel mijn leven lang een verbeten strijd uitgevochten, nog altijd, maar allez… ik bedoel: ik ben mijn naïviteit al heel lang geleden kwijt gespeeld. Natuur en dieren gaan nooit veilig zijn als de mens in de buurt is. Dat is een trieste conclusie, maar daar heb ik mee leren omgaan.’

Natuurlijk: hij maakt zich zorgen. In Congo deed hij jarenlang verslag als oorlogsjournalist en leerde daar zijn toenmalige vriendin kennen, eveneens bioloog. Zij zette zich in voor de apen in Congo.  Ook Draulans ging lobbyen. ‘Ik ben een van de weinige mensen in de wereld die de vijf grote mensapensoorten heeft gezien. De orang-oetang, bonobo, chimpansee, laagland- en berggorilla. Ik ben als de dood, maar echt, als de dóód, dat er in mijn leven een van die beesten gaat uitsterven. Oh! Dat zou ik als een persoonlijk falen ervaren. Daarom ook dat het mij zó’n goed doet dat je hier dieren ziet terugkomen, in plaats van verdwijnen. Die wolf, dat vind ik hartverwarmend. Zijn terugkeer zie ik niet als compensatie voor wat verdwijnt, maar als een omgekeerde trend: we zijn ook góéd bezig met de natuur.’

Wolvenfamilie

 ‘De natuur is de rustbrengende factor in mijn bestaan.’

‘De natuur is de rustbrengende factor in mijn bestaan.’

Hij droomt ervan er ooit één in het echt te zien. ‘Ik heb eens voor een wolvenhol gestaan in West-Canada, maar er was niemand thuis. Ik ga nu ook niet zoeken naar Naya. Dan volgen er misschien meer mensen en ik vind dat we haar gerust moeten laten. Niemand heeft haar tot dusver ook gezien, hè. Als ze geen zender had, waren er twee dode schapen geweest zonder dat iemand wist hoe dat heeft kunnen gebeuren.’

In de gebieden waar de wolven nu leven, zoals in Duitsland, worden sommige kleintjes verdoofd om een zender te plaatsen. ‘Zo kan er in kaart worden gebracht hoe ze zich bewegen. En het is duidelijk dat de wolven- en lynxenpopulatie zich aan het uitbreiden is. Vanuit Roemenië, Noord-Duitsland, maar ook vanuit Italië. In Frankrijk zitten ze ook al.’

‘Boeren zouden blij moeten zijn dat de wolf er is’


Voor het eerst nestelt een wolf die een zender draagt zich in België. ‘Het is niet te verwonderen dat dat in Limburg is. Daar heeft de natuur nog die grootschaligheid. Waar de mannekes blijven zoeken totdat ze een vrouwke hebben gevonden, blijven de vrouwkes zitten als ze een goede plaats hebben gevonden. Naya is een vrouwkeswolf; die riskeert daar nu jaren te blijven, totdat er eens een manneke passeert en er een wolvenfamilie zal zijn. Dus laat ons hopen dat er zo snel mogelijk een manneke in de buurt komt.’

Landschap van de angst

In Limburg denken ze daar anders over. Boeren vormen de grootste vijand van Naya en voor bezorgde bewoners werden er zelfs voorlichtingsavonden georganiseerd. ‘Dan hoor je: “Oh, ik ben toch zo bang voor mijn kleinkinderen.” Nou, geloof me: er ligt in de mens een veel groter gevaar voor de wolf dan andersom. En wat betreft de boeren: ze zouden blij moeten zijn dat hij er is. De wolf gaat everzwijnen eten, en die vormen in Limburg een veel groter probleem dan de wolf ooit voor de boeren zal zijn. De wolf is een toppredator, hij staat aan de top van het ecosysteem. Daardoor is hij geweldig belangrijk. In Yellow Stone, bijvoorbeeld: daar was de wolf verdwenen en de hertenpopulatie, de dieren waarvan wolven leven, werd gigantisch groot; die beesten aten alle bomen op waardoor de bevers er niet genoeg hadden om dammen te maken, enzovoorts. Het ecosysteem veranderde compleet. Dan is de wolf terug geïntroduceerd. Waar de herten voorheen constant graasden en meer jongen kregen, waren ze nu een groot deel van de tijd aan het rondkijken of er geen wolven in de buurt waren. Dat noemen ze het landschap van de angst. Het ecosysteem is teruggekeerd in zijn oorspronkelijke staat.’

Draulans vreest dat moment. Dat hij de ochtendkrant openslaat en leest: wolf Naya is dood


Dat kan ook in Limburg gebeuren, zegt Draulans, zij het op kleinere schaal. ‘De everzwijnenpopulatie is daar volledig out of control. Die gaat hetzelfde effect krijgen met de terugkeer van de wolf - al zal het nooit meer worden zoals het oorspronkelijk was; daarvoor zullen er niet genoeg wolven komen, vrees ik. Ik verwacht dat een tiental het maximum zal zijn voor Vlaanderen. Dat is één familie, misschien twee. En er gaan accidenten gebeuren, dat is evident. Er zullen wolven doodgereden worden in het verkeer – de wolf gebruikt de autostrada om ’s nachts te trekken –, er gaan er afgeschoten of vergiftigd worden. Maar de populatie is van dien aard, dat zich dat aanvult. De wolf zal blijven komen. Niemand hield daar nog rekening mee. Dus de boeren, vooral de schapenboeren, gaan nieuwe maatregelen moeten nemen. Projecten als het werken met kuddebewakingshonden tonen aan dat het kan: dat zowel de kudde als de wolf kan leven. In de regio’s waar wolven leven, is er zo een modus vivendi gegroeid. Die mensen weten: die dieren zie je bijna nooit en misschien verdwijnt er af en toe eens een schaap. Maar er worden geen kinderen opgegeten, geen mensen aangevallen. Hier denken ze dat de wolf van Roodkapje terug komt, oei, oei, oei.’

Draulans vreest dat moment. Dat hij de ochtendkrant openslaat en leest: Naya is dood. ‘Natúúrlijk! Naya gaat constant geviseerd worden. Dat is evident. Of dat pijn doet? Och, ik maak mij allang geen illusies meer. Ik ben 61 en ik blijf dat erg vinden, die vijandigheid tegen de wolf en de natuur. Ik heb heel mijn leven niks anders gedaan dan daar tegen te vechten.’

DirkDraulans8DJvD.jpg
Op deze pagina regelmatig het verhaal van de 'gewone man' (en/of vrouw). Omdat ieder zijn wereld heeft.

‘Ik zou het leven nog een keer moeten kunnen leven’

In woonzorgcentra wonen veel mensen zonder de partner met wie ze vaak meer dan een half leven samen zijn geweest. Zo ook mevrouw Claassen-Janssen. Ze is 92 en ruim drie jaar geleden overleed haar man Cor. In haar hoofd zijn de herinneringen niet altijd meer even goed geordend. Maar het verleden dat het verste weg is, blijft helder. ‘Mijn vader werd rangeermeester bij het spoor. In de oorlog werkte hij vooral ’s nachts. Dan kwam hij thuis en zei: Oh, die èrm mienschen.’

 Mevrouw Claassen-Janssen thuis in Asten. ‘Mijn man viel me meteen op. Hij had donker haar en was nogal lang. Maar hij was ook armoedig gekleed. Er was niets na de oorlog.’  Foto’s: Leon van Loon.

Mevrouw Claassen-Janssen thuis in Asten. ‘Mijn man viel me meteen op. Hij had donker haar en was nogal lang. Maar hij was ook armoedig gekleed. Er was niets na de oorlog.’  Foto’s: Leon van Loon.

Mevrouw Claassen-Janssen zit aan het raam van haar appartement in Woonzorgcentrum de Lisse in Asten. Ze wrijft over de armleuningen van haar stoel. Hij is van bruin leer en met de jaren zijn de plekken onder haar armen ietwat lichter van kleur geworden, net als de randen en de poten. Vlak onder haar linkerhand zijn in verticale lengte twee stukken tape getrokken, enkele naden kringelen eronderuit. ‘In deze stoel zat mijn man altijd’, zegt mevrouw Claassen. ‘Hij is zó versleten, maar die doe ik niet weg.’

Ze schudt haar hoofd. Dan glimlacht ze voorzichtig. Met haar man Cor was ze zeker vijftig jaar getrouwd, weet ze. Maar het exacte jaartal… ‘Eens even kijken...’, zegt ze. Haar blik laat ze de verte in gaan. Als de feiten ter spraken komen, is het in haar hoofd soms wat mistig. Herinneringen verschijnen echter helder voor haar geest.

Dan reikt ze naar het kastje naast haar. Ze pakt één van de drie fotolijstjes. ‘Kijk.’ De foto is uit de tijd dat afdrukken nog gelig waren van kleur. Op het beeld is enkel de arm van een man zichtbaar: op zijn hand zit een kleine vogel. Het is de arm van Cor, de man met wie Mia Claassen-Janssen 65 jaar getrouwd was, zo zal haar dochter later vertellen.

Het is nu drieënhalf jaar geleden. Dat hij is overleden. Cor en Mia Claassen woonden toen ruim zes jaar in het woonzorgcentrum. ‘Hij vond het hier fijn. Mijn man was vrij slecht. Daardoor was hij dikwijls opstandig. Omdat hij niet zo veel meer kon. Hij was altijd actief geweest, zijn hele leven.’

Ze laat een stilte vallen. ‘Mijn man… Hij kon geweldig gitaar spelen. En piano. In Beieren kwamen we graag. Voor de natuur en de muziek. Volksmuziek, daar hielden we van. We verbleven dan bij mensen op een boerderij. Mijn kinderen gaan er nu nog weleens heen, naar Tante Rosa. We hebben drie dochters: Carla, Marlies en Ilse.’

"Mijn zus en ik werden in de oorlogstijd overal naartoe gestuurd om te helpen"


Mevrouw Claassen-Janssen werd geboren in het gehucht de Weerd, vlak bij Roermond. Daar groeide ze op in een gezin met zeven kinderen: twee meisjes en vijf jongens. Haar vader werkte als spoorbeambte, haar moeder deed het werk in het huishouden en op de boerderij. ‘Mijn moeder heeft altijd hard gewerkt, vaak ging ze naar het land zodat mijn vader dat niet meer hoefde te doen als hij thuiskwam van het werk. En mijn zus en ik werden in de oorlogstijd overal naartoe gestuurd om te helpen in de gezinnen. Toen woonden we al in Eindhoven. Iedereen had een boerderij, maar daar kon je niet van leven. Dan kregen we bijvoorbeeld melk mee voor het werk dat we deden. Zo ging dat. Mensen ruilden onderling.’

Het gezin Janssen moest in 1937 verhuizen toen vader door de Nederlandse Spoorwegen werd overgeplaatst naar Eindhoven. ‘We moesten de boerderij achter ons laten. Dat vonden mijn ouders heel erg. Mijn vader werd rangeermeester bij het spoor. In de oorlog werkte hij daar vooral ’s nachts. Dan kwam hij thuis en zei hij: Oh, die èrm mienschen; die arme mensen, op zijn Limburgs. De wagons zaten vol met Joden, ze hadden maar een dun spleetje verluchting. Het stonk daar verschrikkelijk, vertelde mijn vader. Er was geen wc, niets. En daar zaten die mensen soms dagen in, zonder eten.’

‘Als de Duitsers niet opletten, staken de Joden briefjes door de spleetjes’, vervolgt ze. ‘Mijn vader nam ze aan en gaf ze af bij de pastoor; die bezorgde ze bij de families. Voor mijn moeder was dat moeilijk. Ze was altijd erg down als mijn vader thuiskwam met verhalen. Het was gevaarlijk wat hij deed, maar hij kon het niet aanzien, al die mensen die werden getransporteerd…’

"De wagons zaten vol met Joden, ze hadden maar een dun spleetje verluchting"


Na de oorlog bleef het gezin in Eindhoven. ‘Maar toen mijn vader gepensioneerd was, kwam onze boerderij in de Weerd weer vrij. Oh, daar hebben ze nog zo’n fijne tijd gehad. Onze kinderen ook, die vonden het zó fijn bij opa en oma in de Weerd. Daar stonden honderd fruitbomen en bij de buren gingen ze kijken als er kalfjes werden geboren.’

Toen haar ouders teruggingen naar Limburg was mevrouw Claassen al getrouwd. Ze bleef in Eindhoven wonen met haar gezin. Vlak na de oorlog had ze haar man leren kennen bij de korfbalclub. Daar was hij op een dag zomaar eens binnen gelopen. ‘Ik weet het nog heel goed. Hij viel me meteen op. Hij had donker haar en was nogal lang. Maar hij was ook armoedig gekleed. Er was niets na de oorlog. Daarna zijn we een paar keer gaan dansen en zo is het gebleven. Ik zei: Maar er zijn zoveel meisjes. Dan zei hij: Maar niet zoals jij.’

 ‘Na de oorlog liep mijn man van Berlijn naar Eindhoven. Weken is hij onderweg geweest.’

‘Na de oorlog liep mijn man van Berlijn naar Eindhoven. Weken is hij onderweg geweest.’

Ook haar man werkte tijdens de oorlog als dwangarbeider in een fabriek in Duitsland; Philips maakte een lijst voor de Duitsers van de werknemers die niet getrouwd waren. ‘Na de oorlog zouden ze de mensen daar komen ophalen. Maar daar wilde mijn man niet op wachten. En hij is gaan lopen. Van Berlijn naar Eindhoven. Weken is hij onderweg geweest. Hij kwam hier aan op halve sloffen, hij had bijna niets aan zijn voeten. Daarna heeft hij zijn oude werk bij Philips Nederland teruggekregen. En bij een gelegenheid werd hij ook gevraagd om te zingen en piano of gitaar te spelen. Mijn man was lid van een dansorkest, hij speelde contrabas en was de zanger. Ze speelden in de weekenden in Zuid-Nederland en België. Zo heeft hij een mooi centje bijverdiend. Ik hield ook heel erg van zingen.’

"Ik denk er dikwijls over na als ik niet kan slapen: zou er nog een hemel zijn? Maar ik geloof niet dat ik mijn man nog zie na de dood"


Ze mist hem. ‘Het samen fietsen. Dat mis ik het meest. Dat deden we zo graag. We hebben zo veel gezien.’ Ze knikt en zwijgt even. ‘Ik ben zo blij met mijn kinderen. Als ik zie wat ze allemaal voor mij sjouwen. Mijn man was ook stapel op zijn kinderen.’ Weer een stilte. Dan: ‘Ik denk er dikwijls over na als ik niet kan slapen: zou er nog een hemel zijn? Maar ik geloof niet dat ik mijn man nog zie na de dood.’ Ze schudt haar hoofd. ‘Eigenlijk zou ik het leven nog een keer moeten kunnen leven.’

Dit artikel verscheen in Savant Magazine, een halfjaarlijks tijdschrift van Savant Zorg.

Op deze pagina regelmatig het verhaal van de 'gewone man' (en/of vrouw). Omdat ieder zijn wereld heeft.

‘Zal het ooit rustig worden in mijn hoofd?’

Bij eerdere ontmoetingen werd ik er steeds weer door geraakt: die uitgesproken lach en open blik. Iets leek er achter verborgen te moeten blijven dat steeds meer naar de oppervlakte kwam. Ik nodigde Gilberto (28) uit voor een interview. De pijn van een jeugd zonder zijn Kaapverdiaanse vader en de warmte van zijn Nederlandse moeder plaatst hem in twee werelden. Hij vond nooit de balans waarin die samen konden gaan. ‘Ik denk weleens dat ik mijn vader achterna zou zijn gegaan als ik niet was gestopt met blowen. Beetje wandelen door Rotterdam, beetje blowen, beetje drugs, beetje dealen, beetje niks doen.’

  Foto's: Dirk-Jan van Dijk

Foto's: Dirk-Jan van Dijk

Ik parkeer mijn auto in het Eindhovense Woensel, gehaast en ongecontroleerd. Ik ben zeven minuten te laat. Een paar meter verderop zie ik een krullenkop de hoek om steken. Gilberto staat al in zijn deuropening. Hij oogt groter dan in mijn herinneringen, iets smaller ook. Hij draagt een grijze trui met capuchon, zijn jeans is licht van kleur.

Ik stap uit, hij zwaait en lacht die bekende lach: zijn ogen ver opengetrokken, een opgewekt ‘Héy!’ klinkt uit zijn mond. De kringen onder zijn ogen zijn dieper dan normaal. Donkerder ook. Zijn ogen lijken daardoor dieper in hun kassen te liggen. ‘Hoe is het?’, klinkt het opgewekt. Ik antwoord met het bekende: ‘Goed. En met jou?’ Hij mompelt wat en wijst me de weg naar binnen.

In de hoek van de kamer staat een wasrek waarop ondergoed droogt, in de kast ernaast twee waterpijpen. Bij het grote raam aan de straatkant zijn twee banken haaks op elkaar gezet, een rode en een dieporanje. De oranje poef steekt er fel bij af en dient als voetsteun in de ruime zit voor de televisie met PlayStation.

Gilberto werd geboren in Nederland, maar groeide de eerste jaren van zijn leven op in het West-Afrikaanse Guinnee-Buissau en Kaapverdië, een eilandengroep ten westen van het continent en tevens het geboorteland van zijn vader. Herinneringen aan die tijd heeft hij nauwelijks. Gilberto was vier toen hij met zijn moeder en zusje Tadinha naar Nederland kwam. Hij groeide op in Eindhoven en is bijna afgestudeerd fysiotherapeut.

Ik laat me zakken op één van de banken. De waterkoker zoemt en gaat langzaam over tot borrelen. Gilberto loopt heen en weer tussen keuken en woonkamer, zijn handen in zijn zakken, wachtend tot het water zal zwijgen. Ondertussen maakt hij de bekende grapjes. Ze zijn minder gewichtig nu, minder belangrijk ook. Hij lijkt te weten dat de vrolijke jongen die alles onder controle heeft vandaag alleen maar in de weg zou kunnen lopen.

We zagen elkaar nooit op afgesproken plaatsen, enkel in het voorbijgaan. En dan ving ik die blik, dat gezicht waar hoog opgetrokken wenkbrauwen zijn ogen opentrokken, witte tanden naar me straalden. Toch was het nooit zijn lach die beklijfde. Waar zijn mond lachte, zwegen zijn ogen. ‘Mijn clowntjeskant…’, antwoordt hij als ik hem vertel hoe ik hem op zulke momenten bezag. ‘Zo kan ik anderen op afstand houden.’

De waterkoker zwijgt. Gilberto draait zich om en verdwijnt de keuken in. ‘Ik zag er best tegenop vanmorgen.’ Hij schenkt de thee in. ‘Het is zo’n chaos in mijn hoofd. En dan ga ik nu ook nog terug in de tijd. Maar ik weet waarom ik dit wil doen: het zal me helpen. Om voor mezelf alles een beetje op een rijtje krijgen.’

Hij gaat tegenover me zitten op de rode bank. De bank oogt groot met hem alleen er op. Hij legt zijn armen in de breedte over de rugleuning. Zo blijft hij zitten. Soms biedt de omgeving nu eenmaal het meeste houvast als we het in onszelf even niet weten.

"Mijn vader was visser en ging met zijn harpoenetje het water in; oldschool visjes schieten"


Gilberto begint over zijn jeugd. Hij kijkt voor zich uit, de verte in, schijnbaar op zoek naar beelden die hij kan vasthouden, kan verbinden aan zinnen. Na elke zin stopt hij even. Hij moet nadenken. Het is vaag. Zo ver weg ook nu hij ze dichterbij probeert te halen. Hij begint met de grote lijnen. ‘Mijn moeder wilde tropenarts worden, denk ik. Ik weet niet precies waarom ze naar Kaapverdië is gegaan. Om stage te lopen, volgens mij. Daar heeft ze mijn vader leren kennen. Mijn charmante vader waar ze heel erg verliefd op werd. Hij was visser en ging met zijn harpoenetje het water in; echt oldschool visjes schieten. Hij zorgde voor de vis voor het hele dorp. Iedereen was dan ook blij met hem en plaatste hem op een voetstuk. Hij was een erg populaire man in het dorp. Een machootje ook wel, echt zo’n popiejopie-gast. Zo zie ik hem, als ik me die tijd probeer in te beelden. Daar viel mijn moeder voor. Denk ik. Blijkbaar. En ze werden verliefd.’

Hij zucht diep en legt zijn hand kort op zijn krulletjes. Ze deuken in en springen dan weer op. Nog altijd kijkt hij voor zich uit. ‘Weet je. Ik wil graag positief praten, ik wil niet meer in dat slachtofferverhaal blijven hangen… maar eigenlijk is het allemaal heel somber als ik erover nadenk. Dat het zo is gelopen. Dat mijn ouders niet meer bij elkaar zijn. Dat ik geen vader heb gehad. Het gezinsgevoel... Dat was ik al heel snel kwijt. Er is daar veel gebeurd, in Kaapverdië. Mama heeft daar veel meegemaakt. Ze heeft dat allemaal wel verteld, waarom ze van mijn vader is gescheiden, maar ik weet niet meer precies hoe het zit. Ik heb het ook niet meer gevraagd.’

Ik vraag hem hoe dat komt. Hij weet het niet. ‘Ik heb ook zo weinig herinneringen aan die tijd. Ik was pas vier toen we daar weggingen. Het enige wat ik weet is dat ik een klein manneke was met blonde krulletjes. Ik viel erg op daar in Afrika. Ik ben meer blank dan donker. Ik was altijd buiten, daar trippelde ik wat rond en de jongen die op mij moest passen, Toi, was een jaar of elf. Hij nam me overal mee naartoe. Ik heb nog het beeld voor ogen dat hij gewoon op straat ging poepen en een gladde steen pakte om zijn kont af te vegen. Ja, echt! Haha!’

"Ik had blonde krulletjes en viel erg op in Afrika. Ik ben meer blank dan donker"


Een jaar na hun vertrek kwam ook zijn vader naar Nederland, waar hij in Rotterdam bij vrienden kon verblijven. ‘Hij had een Nederlands paspoort; mijn ouders zijn hier getrouwd. Voor hem was het hier een paradijsje eigenlijk. En ja, ook wel om dicht bij ons te zijn. Dat geloof ik ook wel. Wij waren immers zijn kinderen. Hij noemde me ‘zoon’ en zei dat hij van me hield. Als jong manneke van een jaar of acht, negen vond ik het ook leuk om bij mijn vader te komen. Als ik bij hem aan kwam, moest ik altijd wachten tot hij klaar was; meestal kwam hij net uit bed. Dan keek ik rond wat er allemaal lag. Zijn huis was één grote chaos. Het was duidelijk dat hij handelde in van alles, het lag er vol met allerlei spullen. Volgens mij ruilde hij die tegen drugs. Hij had een kast vol met truien waar de prijskaartjes nog aan hingen, gadgets, twintig telefoons, dozen vol parfums. Als manneke vond ik dat altijd interessant. Ik ging áltijd met iets weg. Kwam ik weer thuis met een geurtje.’

Gilberto blijft zoeken in zijn geheugen. De beelden zijn samenraapsels, ze komen in fragmenten, als flarden van een leven waarvan hij lijkt te twijfelen of het ooit een geheel is geweest. ‘Als hij zich had aangekleed, liepen we naar de Nieuwe Binnenweg, zeg maar de Kruisstraat van Rotterdam. Daar kende hij iedereen. Dan was het handje hier en handje daar. Daarna liepen we terug. Dat was onze dag samen. Dat was zijn leven. Beetje wandelen door Rotterdam, beetje blowen, beetje drugs, beetje dealen, beetje niks doen.’

 Gilberto met de kenmerkende lach. ‘Mijn clowntjeskant. Zo kan ik anderen op afstand houden.’  

Gilberto met de kenmerkende lach. ‘Mijn clowntjeskant. Zo kan ik anderen op afstand houden.’  

‘En toch… Ik maakte er wel wat van, op zo’n dag. Ik was nou eenmaal bij mijn vader en ik keek tegen hem op. Later bevestigde hij ook een stuk van mijn leven. Op mijn vijftiende, zestiende ging ik naar hem toe om samen te blowen. Had hij een pot hasj. Ik vond dat stoer. Zaten we daar, naast elkaar op de bank een joint te roken. En tegen mijn vrienden zei ik dan: Mijn vader blowt ook. Misschien om ergens toch trots op hem te kunnen zijn.’

De bezoeken aan zijn vader werden in het begin door zijn moeder aangemoedigd. Ze wilde dat haar kinderen met een vader opgroeiden. ‘Ze gaf me geld voor de trein, maar ze liet het wel aan mij. Ik móést niet gaan. Ik wílde graag gaan. Ik denk wel dat mama zag dat het mij schaadde, zo’n dag bij mijn vader. Hij was áltijd te laat. Nóóit kon hij een keer op tijd komen, er stáán als ik de trein uitstapte. Dan kwam hij pas aangelopen als ik de trap al naar beneden had genomen of naar de uitgang van het station liep. Een paar keer is hij helemaal niet gekomen. Het was koud en ik stond daar maar, als manneke van twaalf op het station in Rotterdam. Mijn vader kwam niet, gewoon helemaal niet meer. Toen ik wat ouder was, pakte ik de tram naar zijn huis. Hij woonde in een flatgebouw, op de onderste verdieping. Dan bonsde ik op het raam. Meestal bleek hij dan nog niet wakker te zijn.’

"Mijn zusje heeft al snel gezegd: Papa, jij bent mijn papa niet meer. Zij was verder"


Hij zucht. ‘Hij had gewoon een keer op het statíón moeten staan en moeten zeggen; Verrassing, we gaan iets leuks doen vandaag. En ik… Ik had gewoon moeten stóppen met naar hem toe te gaan. Maar ik heb altijd weer de trein genomen en telkens had ik er weer superveel zin in; ik zou mijn váder weer zien. Al die keren die ik op dat station stond en hij…’ Zijn handen zijn gebald nu, hij slaat met zijn vuist op de leuning. ‘Continu tegen die teleurstelling aanlopen. Dat merk ik nu nog als iemand te laat komt. Bij een paar minuten ben ik al helemaal van slag.’ Ik schrik en denk aan mijn aankomst. ‘Dan ga ik al invullen: ik ben niet belangrijk genoeg om gewoon op tijd te komen.’

Ik verontschuldig me voor mijn zeven minuten vertraging. Nu schrikt Gilberto. Hij wilde mij niets verwijten. ‘Bij jou heb ik dat niet. Alleen bij mensen om wie ik echt geef. Die kunnen mij raken.’ Hij schrikt opnieuw. ‘Niet dat ik niet om jou geef, hoor.’ Ik lach. Hij lacht. Het is goed. ‘Mijn zusje heeft al snel gezegd: Papa, jij bent mijn papa niet meer. Zij was verder. Die wist goed wat ze wilde van een vader. Iemand die er voor je is, zorgzaamheid, warmte. Ik was alleen maar bezig met: ben ik wel goed genoeg als zoon? Terwijl hij er eigenlijk voor míj moest zijn! Híj moest een goede vader zijn voor míj. Hij deed dat op zijn manier waarschijnlijk. Ja, dat is wel zo. Ik zag het wel. Dat hij het ook allemaal niet kan, in zijn hoofd. Hij heeft geen goede waarheid meer. Hij heeft zijn brein verdoofd met… ja… Met van alles. Cocaïne en heroïne vooral. Hij is geen crackjunkie die in de goot van de straat ligt, helemaal van de wereld. Nee… Altijd... Een beetje... Ja! Dat is het óók met hem. Alles nét op het randje. Waardoor hij overal doorheen glipt. Daar kwam ik op een gegeven moment óók achter. Hij had altijd een stickie bij zich. Ik dacht dat dat gewoon wiet was. Maar daar zat heroïne in. Nam hij zo nu en dan een trekje. Daar was ik gewoon bij!’

Even bijt Gilberto op zijn lip. Hij kijkt nog altijd voor zich uit. ‘Dat halfslachtige… Niet kiezen voor het ene: een leven in Kaapverdië, maar ook niet gaan voor het leven hier.’ Dan voor het eerst ineens een echte stemverheffing, zinnen die elkaar in een hoger tempo opvolgen. ‘Hij heeft zijn moeder al tíén jaar niet meer gezien. Die gaat óók een keer dood. Ga gódverdómme spáren om een tícket te fiksen en gá daar naartóé en blíjf daar. Kom gewoon nóóit meer terug. Maar dat is het met hem: dat initiatíéf nemen, die energíé daar voor vinden, die ís er niet. Maar wel gewoon zielig gaan doen dat je je land en je moeder mist….’

"Ik blowde al lang. Eerst alleen blowen, daarna ook andere dingen. Gokken. Veel gokken"


Hij kijkt op. ‘En toch… Toch kan ik hem niet loslaten. Maar wát houd ik nog vast?’ Gilberto vecht tegen zijn tranen. ‘Vaderliefde. De behoefte daaraan. Het zoeken naar die gelukjes die ik heel even heb ervaren toen mijn vader was afgekickt, anderhalf jaar geleden. Hij toonde ineens interesse. Hoe gaat het met je?, en: Wat ben je aan het doen? Dát.’ Gilberto veert even op uit de bank. ‘Een oprecht: Wat ben je aan het doen? Kort daarna is hij van die kliniek gestuurd omdat hij toch methadon op zijn kamer had liggen. Daarna is hij opnieuw begonnen met drugs gebruiken. Ik zal het zonder mijn vader moeten doen. Dat weet ik nu. Ik moet niet op zoek blijven gaan. Want het is ijdele hoop. Hij gaat er niet zijn. Maar de weg daarnaartoe heb ik nog niet gevonden.’ Hij zwijgt. Dan: ‘Het is ook zo dubbel. Ik wil niet meer in dat slachtoffergevoeletje zitten. Dat is wat ik nu wél weer doe; ik had geen vader. Maar daar bereik ik niks mee.’

Ik zeg hem dat het lastig mág zijn, en dat het misschien altijd zoeken zal blijven. Ik voel meteen spijt. Spijt van die woorden, die vaag zijn. Spijt ook van de manier waarop ik ze op hem probeerde over te brengen. Maar Gilberto knikt opnieuw, hij lijkt iets helder te zien. ‘Ja!’ Zijn ogen zijn strak naar voren gericht. ‘Dat stuk dat zich het slachtoffer voelt, is wel een deel van wie ik ben. Ik héb geen vader gehad. Hij wás er niet. Er wás geen gezin.’ Zijn armen liggen nog altijd over de rugleuning gespreid, zijn handen gaan steeds open en dicht bij het zoeken naar woorden. ‘Ik moet het leren nog. Om te accepteren dat ik me zo voel. Ik hándel nog vanuit die slachtofferrol. Gedachten bijvoorbeeld, mezelf zielig vinden. Als ik de liefde van buitenaf niet ontvang dan héb ik geen liefde. Niets. Want die geef ik mezelf niet. Nou, dan ben ik eigenlijk de Sjaak.’

Hij laat een stilte vallen. ‘Wat mijn vader daar heeft, dat leven, zo’n omgeving… Ik denk weleens dat ik hem achterna zou zijn gegaan als ik was doorgegaan met blowen en met school zou zijn gestopt. Gelukkig had ik wél een fijn thuis en een moeder die er voor mij was, achteraf gezien. Want op dat moment denk ik niet dat ik te bereiken was. Ik blowde al lang. Eerst alleen blowen, daarna ook andere dingen. Gokken. Veel gokken. Ik had van die momenten dat ik voelde: ik wil écht gaan gokken. Zat ik uren in zo’n hal. Telkens twintig euro bij pinnen, steeds opnieuw. Altijd die kick zoeken en niet vinden, en maar doorgaan. Om die leegte maar niet te hoeven voelen. Dat doe ik nu niet meer. Het blowen ook niet. Dat was niet eens een manier om rust te vinden. Ik werd er alleen maar onrustig van. Chaotisch, onzeker. Bijna waanideeën kreeg ik. En toch door blijven gaan, elke dag. Ik denk omdat ik toen al niet tevreden was met mezelf. Als ik nuchter was, was het niet goed genoeg. En door te blowen vergat ik een hoop dingen, denk ik. Lekker blowen, met mijn vrienden nergens aan denken, niet aan school, niet aan zorgen. Later kwam dat dan keihard op mijn dak. Op zondagavond was ik altijd depressief: de volgende dag moest ik weer naar school.’

"Ik heb acht jaar antidepressiva geslikt. Gewoon ácht jaar!"


Gilberto ging zich steeds vaker slecht voelen. Hij kwam bij een therapeut terecht die hem een opname voorstelde bij een psychotherapeutische kliniek. Net negentien geworden, zat hij daar uiteindelijk negen maanden. Hij kreeg therapie en medicijnen en werd getest. Negentig procent arbeidsongeschikt, dat werd daar voor hem bepaald. Een Wajong-uitkering tot gevolg.

Sinds een jaar zijn ze weer heftiger, vertelt hij, de depressieve gevoelens. Zo lang is hij van de antidepressiva af. Nu komt de werkelijkheid boven die hij al die tijd onder een laag pillen had weggestopt. ‘Ik heb acht jaar antidepressiva geslikt. Gewoon ácht jaar! Vorig jaar heb ik die zelf afgebouwd. Elke maand een beetje minder. Maar dat was ook de periode dat de zomer er aan kwam: ik ging veel naar feestjes om mijn negatieve gedachten te vergeten, mijn gevoelens te verdoven, maar dan op een andere manier. Sinds een paar maanden doe ik dat niet meer. Sinds ik een relatie heb. Nu komt alles bloot te liggen en heb ik ook nog eens de spiegel van een relatie. Terwijl de antidepressiva blokkeren en onderdrukken. Dan denk ik: moet ik niet terug?’ Hij knikt naar de kast. ‘De pillen liggen al in de la. Ik stond op het punt om er weer mee te beginnen, maar ik dacht meteen: Nee, niet zo snel opgeven gewoon! Want dit is wél wat er is, hoe ik me nu voel. Met die pillen wordt het weer vervaagd. Misschien is het beter om er gewoon doorheen te gaan.’

Dan kijkt hij me aan. ‘Wat denk jij? Als ik hier nu doorheen ga, zou het daarna dan minder chaotisch zijn? Mijn hoofd. Het leven. Denk je dat de rust daarna kan terug komen? Zonder pillen. Dat ik rust in mijn hoofd heb? Dat ik beter kan nadenken?’

Ik antwoord dat in mijn optiek de werkelijkheid meer verdient dan onderdrukking. En dat hij nu op het punt staat te kiezen om iets in de ogen te kijken zodat hij later niet zelf in de ogen wordt gekeken. Dus ja, dat moet wel gepaard gaan met rust. Hij knikt. ‘Ik ben nu ook echt bereid om het aan te pakken. Ik kijk echt naar mezelf nu.’

Hij wrijft zijn handen door zijn gezicht. ‘Zullen we anders een stukje gaan lopen?’ Eenmaal buiten steekt Gilberto een sigaret op. Hij neemt een hijs en blaast zijn borst op. De lange uitademing geeft ruimte in zijn hoofd, zo lijkt. Hij tuurt rond. In de verte komt een auto aan gereden. Het is de fotograaf.

Het gaat beter zo: het praten. Zijn ene hand bovenop het stuur, zijn andere uit het raam, de sigaret tussen zijn vingers


Even later stappen we in zijn auto, een Ford Ka. De fotograaf volgt ons. Het lopen slaan we over, we gaan naar zijn moeder. Zij kent hem als geen ander. ‘Vind je het erg als ik nog een sigaret opsteek?’ Dat vind ik niet. Hij vertelt verder. Het gaat beter zo: het praten. Achter het stuur, zijn ene hand erbovenop, zijn andere uit het raam, de sigaret tussen zijn vingers. Dan stelt hij mij vragen. Hoe het met mij gaat, waar ik woon en of ik nog weleens worstel met het leven. Ik antwoord dat dat vaker dan weleens is. Hij ontspant.

Ik zie de teller van de benzinemeter ver onder het rood staan. Ik ga ervan uit dat die kapot is en spreek tegelijkertijd mijn zorgen uit. Gilberto trekt met zijn mond. ‘Héél weinig benzine.’ Dan lacht hij. ‘Zou wel goed zijn voor het verhaal: Gilberto staat stil, zijn auto heeft geen benzine meer. Zou voor veel mensen herkenbaar zijn.’

Tien minuten later rijden we nog. Hij parkeert in de Schrijversbuurt in Eindhoven, we stappen uit in een welvarende omgeving. Ik zeg hem dat het herkenbaar is: dat wat hij eerder zei. Dat het van de buitenkant allemaal zo normaal lijkt, perfect bijna. Dat hij niet moet klagen, dat hij het goed heeft, alle kansen heeft gehad. Maar wat er zich in zijn binnenwereld afspeelde, kwam nooit in het zicht van anderen. Gilberto knikt.

 ‘Ik kreeg een nieuwe vader en een broertje en een zusje erbij. Vanaf dan is het eigenlijk… Dat ik het allemaal niet begreep. Het leven.’

‘Ik kreeg een nieuwe vader en een broertje en een zusje erbij. Vanaf dan is het eigenlijk… Dat ik het allemaal niet begreep. Het leven.’

Hij draait de sleutel in het slot. De voordeur sleept traag open, de zware kras klinkt hol door de gang. ‘Mam?’ Een stilte. ‘Mam?’ Hij trekt zijn telefoon uit zijn zak. Hij gaat over. Zijn moeder rondt haar werk af en komt naar huis, zegt ze. Gilberto tapt een fris glas water en leunt tegen het aanrecht. We wachten op haar komst. ‘Ik was zes jaar toen we hier kwamen wonen. We woonden naast een man met een gezin. Hij is later gescheiden en kreeg iets met mijn moeder. Zo werd hij mijn stiefvader.’

In de muren die de twee huizen scheidden is een deur gemaakt. Nu is het één geheel. ‘Ik kreeg een nieuwe vader en een broertje en een zusje erbij. Vanaf dan is het eigenlijk… Dat ik het allemaal niet begreep. Het leven. Ik ging me slechter voelen. Niet dat ik wil wijzen hoor. Helemaal niet. Want mijn stiefvader is een superlieve man, supergoed voor mama. Maar hij is mijn vader niet. En dus ook mij niet. Snap je wat ik bedoel…?’ Ik knik. De fotograaf ook. ‘En mijn moeder… Zij is mijn heldin. Maar ze heeft het nooit goed kunnen doen in mijn ogen. Want ze was in haar eentje. Als alleenstaande moeder kon ze die rol van vader niet op zich nemen. Maar als ik geen lieve moeder had gehad, was het misschien heel anders afgelopen…’

"Ik kreeg een zak geld en er werd niet meer naar me omgekeken"


We lopen door het huis. In de kantoorruimte staat een grote vaas met tientallen Durexcondooms erin. ‘Mama is seksuologe. Gaat ze naar beurzen en neemt ze zo’n lading condooms mee voor ons.’ Hij lacht. ‘Dus ik bedoel: ik heb met haar echt een vertrouwde relatie. Ik kan het met haar hebben over seks, over relaties, hoe ik me voel…’ Hij zwijgt en laat zijn ogen door de ruimte gaan. ‘Hier, dit is ze.’ Hij tikt met zijn vinger op een foto aan de muur. Zijn moeder is er nog jong. Ze is onderdeel van een groep mensen die kijkt naar een blote vrouw, dansend in hun midden. Gilberto leunt ernaast tegen de muur, zijn handen heeft hij in zijn zakken gestoken. Hij kijkt naar haar. ‘Ik vertrouw haar volledig. Zij ziet het diepste van mij. Maar er is een groot stuk dat ik zelf moet verwerken. Daar kan ze me niet mee helpen. Dat moet ik ook niet meer willen.’

De huid om zijn ogen wordt rood, hij trekt met zijn mond. ‘Als ik het over mijn moeder heb dan begin ik al.’ De tranen staan in zijn ogen. ‘Ik heb me altijd kwetsbaar mogen opstellen. Ze heeft altijd alles voor me geregeld. Toen ik hier mijn Cito-score opende was er paniek. Die was zó laag. 525. Maar mijn moeder regelde een nieuwe test voor me; daar kwam een hogere score uit. Zo heeft ze me wél bij een vmbo-t binnen geluld. Toen ik naar de kliniek ging, moest ik een brief schrijven; ging ik hier aan deze tafel met haar zitten om die op te stellen. Dat is wél liefde. Warmte. Maar soms denk ik weleens... Misschien had ik meer zélf moeten leren aanpakken. Die Wajong ook; die is ook een soort moeder. Die heb ik nu acht jaar. Dat is veel te gemakkelijk. Ik wilde toen niet anders, hoor. Ik kreeg gewoon zevenhonderd euro op mijn rekening en hoefde niet te werken. Heerlijk. Maar nu vervloek ik die uitkering. Ik kreeg een zak geld en er werd niet meer naar me omgekeken. In plaats van mij te sturen, een schop onder mijn kont te geven. Als ik die Wajong niet had gehad, was ik misschien meer…’ Hij balt zijn vuist. ‘Had ik moeten gaan werken, ergens voor moeten strijden. Dan had ik ook meer zelfvertrouwen gekregen, een goed gevoel gehad bij wat ik heb bereikt. Zélf heb bereikt. En niet wat ik altijd maar heb gekregen. Van de uitkering, van mijn moeder…’

"Eigenlijk ben ik gewoon op de goede weg. Ik dúrf nu te voelen wat ik voel"


Ik zeg hem dat hij bijna afgestudeerd fysiotherapeut is, en dat hij binnenkort met een nieuwe baan begint. ‘Ja... Klopt…’ Hij grist een zakje van het aanrecht en scheurt het open. ‘Koekmaatje?’ Hij houdt de opening voor mijn gezicht. Ik sla het aanbod af. De koekjes kraken tussen zijn tanden. ‘Ja, is wel zo inderdaad. Ik heb in negen jaar tijd mijn mbo en hbo gehaald. Maar hoe? Dat weet ik ook niet. Het is me allemaal wel gelukt, maar wel een beetje zijdelings. Verdoofd misschien. Daarom... Je zou het niet zeggen als je me zo hoort praten, maar echt… Ik ben eigenlijk zo blij met hoe het nu gaat. Ook al voel ik me nu meer kut dan de afgelopen jaren bij elkaar, eigenlijk ben ik gewoon op de goede weg. Ik dúrf nu te voelen wat ik voel.’

 ‘Mijn moeder… Zij is mijn heldin. Maar ze heeft het nooit goed kunnen doen in mijn ogen.’

‘Mijn moeder… Zij is mijn heldin. Maar ze heeft het nooit goed kunnen doen in mijn ogen.’

De deur schuift open. Zijn moeder komt binnen. Ze glimlacht innemend en verwelkomt Gilberto met een uitbundige groet, gevolgd door een knuffel. Hij groet en knuffelt terug. Zijn moeder staat tegen het aanrecht, Gilberto steunt daar met zijn ellenbogen op. Hij staart naar zijn handen, naar het blad, naar het fornuis, de mokken. Maar hij lijkt niets te zien; enkel beelden van vroeger die bij de woorden van zijn moeder horen. ‘Op zijn twaalfde. Toen is het veranderd. In een paar weken tijd... Herfstvakantie middelbare school’, herinnert ze zich. ‘Hij klauterde weer de glijbaan op via de verkeerde kant, zat op de wipkip. Ik zei nog tegen mijn zus: daar is-ie weer. Ik had hem helemaal terug. Hij had het helemaal terug. Dat kind-zijn. Vrij zijn van verwachtingen.’

Ze vouwt haar handen in elkaar. ‘Hij werd steeds vaker ongelukkig. Dan was hij stil en trok zich terug. Of hij werd heel driftig. Ik weet nog goed… Zijn zestiende verjaardag. Het was prachtig weer. Hij had tegen niemand gezegd dat hij jarig was en er zouden maar een paar mensen komen. Het was half twaalf en ik ging naar boven om te zeggen dat er bezoek was. Maar hij wilde niet uit bed komen. Hij zei: Mama, ik heb hier geen zin in. Het hoeft voor mij niet meer.

Ze doet haar best hetzelfde volume, hetzelfde ritme van haar zinnen vast te houden. Maar haar stem kraakt. ‘Dan denk je als moeder: je wordt zestien, het is zomervakantie, de mussen vallen van het dak, we kunnen chillmuziek opzetten, lekker de waterkraan opendraaien, ijs eten, en dan zeg je: Mama, ik heb hier geen zin in. Het hoeft voor mij niet meer. Toen dacht ik: hoe dood moet je dan zijn van binnen? Hoe alleen…’

"Gilberto zei: Mama, ik heb hier geen zin in. Het hoeft voor mij niet meer. Ik dacht: hoe dood moet je dan zijn van binnen?"


Ze wrijft over haar wangen. ‘Het begint hier nu nog te trekken… Die onmacht… Je kunt een kind hebben dat ziek is. Maar dan heb je een gemeenschappelijke vijand. Dan ga je samen vechten om beter te worden. Maar een kind dat zich ongelukkig voelt…’
Gilberto leunt nog altijd op het aanrechtblad. ‘Ik weet het nog’, zegt hij dan, nog altijd voor zich uit starend. ‘Dat ik dat moment had. Maar ik snap het niet.’ Dan kijkt hij op. ‘Als het zomervakantie is… Ik heb het altijd leuk gehad in de zomervakantie.’

Zijn moeder: ‘Maar je was gewoon depressief. Uiteindelijk heb ik een paar moeders gebeld en ’s middags om vier uur zat hier een hele club met vriendjes om tafel. Twee laden diepvries gingen open en alle friet, frikadellen en kroketten gingen op.’
‘Had jij dat toen geregeld?’
‘Ja. En toen was je weer zó jarig. Maar ik had dat wel geregeld, ja. Ik wilde dat ongeluk wegnemen.’

‘Mam… Ik denk dat dat ook… Ik merk nu op de momenten dat ik me zo voel - zoals ik me toen ook voelde -, dat ik mezelf daar niet kan uitkrijgen. Door bijvoorbeeld te weten wat ik nodig heb om me beter te gaan voelen. Om mezelf die liefde te geven. Bijvoorbeeld dat ik eigenlijk die dag zélf mijn vriendjes had moeten bellen. Niet om naar jou te wijzen, maar dat werd voor mij gedaan.’
‘Ja, ik ben met dit soort oplossingen misschien wel te lang door gegaan.’
Gilberto duwt zich van het aanrecht af. ‘Zullen we gaan zitten, anders?’ Zijn moeder en hij schuiven naast elkaar aan de ronde tafel. Ik ga tegenover hen zitten.

Gilberto heeft zijn onderarmen op tafel gelegd, hij duwt zijn vingertoppen tegen elkaar aan. ‘Mama… Waarom ben jij precies naar Kaapverdië vertrokken?’
‘Voor stage. Daar heb ik papa ontmoet en we werden verliefd. Later ben ik teruggekomen naar Nederland om af te studeren. Er was hier weinig werk en ik wilde tropenarts worden. Toen zijn papa – Tuly – en ik samen teruggegaan naar Guinnee-Bissau. Jij bent daar verwekt, maar in Nederland geboren. Daarna zijn we teruggekeerd. Op Guinnee-Bissau heb je leren kruipen, lopen, ben je hele dagen buiten geweest. Na de geboorte van Tadinha, ook in Nederland, zijn we teruggegaan naar Kaapverdië, naar Sant Antão, een ander eiland dan waar jouw papa vandaan komt. In de zomer van 1992 kwamen we definitief terug naar Nederland. De eerste twee weken heb jij alleen maar aan jouw mouwen geplukt. Jij vond het verschrikkelijk, die lange mouwen.’

‘En we kwamen met zijn drieën terug, toch?’
‘We kwamen met zijn drieën terug. Er is daar veel gebeurd. Vooral in dat jaar op Sant Antão. In het begin had ik geen flauw benul van de cultuur. Maar zij wisten niet dat ik de taal al snel verstond en zo onderonsjes kon volgen. Ik heb dingen opgepikt waarvan ik dacht: dit kan ik beter niet weten. Vrouwen werden er gemept of opgesloten. Mannen hadden de gewoonte de baas te zijn over hun vrouw. En ik kwam daar als vrouwelijke arts. Dat kenden ze daar niet. Eén van de dingen die ik heb ontdekt, Gil, is kinderen met gonorroe. Jonge kinderen. Vier jaar, vijf jaar, zes jaar, zeven jaar. Seksueel misbruik dus. Mannen wilden dat gewoon eens proberen, dat was een gewoonte...’

"Op een nacht waren de banden van mijn auto doorgesneden. Ik ben zo bang geweest"

 ‘Gil, jij bent zo sensitief. En met die sensitiviteit heb je mijn strijd gevoeld. Je wilde mij beschermen', aldus zijn moeder. 

‘Gil, jij bent zo sensitief. En met die sensitiviteit heb je mijn strijd gevoeld. Je wilde mij beschermen', aldus zijn moeder. 

‘Ik heb tweede tests gedaan’, vervolgt ze. ‘Ik kon gewoon niet geloven dat het daadwerkelijk zo zou zijn. En die tests heb ik naar het nationaal laboratorium gestuurd. En toen… Toen kreeg ik toch mót met mijn twee mannelijke collega’s op Sant Antão. Maar ook écht mot. Ze begonnen mij te intimideren. Als zelfstandige vrouw werd ik een bedreiging voor die cultuur. En omdat papa een Kaapverdiaan was, begonnen ze daarover te praten. Er ontstond roering. Op een nacht na het werk waren de banden van mijn auto doorgesneden. Ik ben zo bang geweest. Dát, samen met de dingen die ik heb ontdekt en papa die daar ook een bepaalde rol in heeft gespeeld… In een paar maanden tijd ben ik van heel mijn vechtlust beroofd. Ook van mijn vechtlust om mijn relatie te redden. En dat… Dat heb jij gewoon gevoeld, Gil. Jij bent zo sensitief.’

Zijn handen maken kleine bewegingen, zijn lippen trillen. De kleur van zijn wangen wordt dieper.
‘Toen ik weeën kreeg van Tadinha had Tuly niets in de gaten. Maar jij… Jij week niet van mijn zijde. Je vouwde jouw armpjes om mijn knieën en keek naar me omhoog. Je voelde gewoon dat er iets stond te gebeuren. Vijf minuten later brak mijn water. Jij klauterde de trap op en we pakten mijn spullen in om naar het ziekenhuis te gaan. En jij, tweeënhalf jaar oud, wist precies wat ik nodig had. Jij haalde mijn spullen uit mijn tas en stopte jouw Jaja erin.’
‘Mijn knuffel.’
‘Ja, jij stopte jouw Jaja erin. Jóúw Jaja… Je gaf dus eigenlijk het liefste weg wat je had.’

Gilberto trekt met zijn mond, zijn blik is op de tafel gericht. Zijn gezicht verkleurt, hij knippert een paar keer met zijn ogen. Dan slaat hij zijn handen voor zijn gezicht. Snikken stokken achter zijn handen. Zijn moeder trekt hem tegen zich aan. Zijn snikken worden luider. ‘En anderhalf jaar later, Gil’, zegt zijn moeder, haar zoon in haar armen, ‘heb jij met diezelfde sensitiviteit mijn strijd gevoeld. Je wilde mij beschermen. En jouw vader was streng af en toe. Weet je dat nog?’ Gilberto schudt zijn hoofd. ‘Hij heeft weleens zijn riem uit zijn broek gehaald. Hij heeft nooit geslagen, maar dat gebaar… En jij hebt alles meegekregen. Natuurlijk heb je dat meegekregen.’ Haar stem kraakt opnieuw. ‘Terug in Nederland was je al af en toe heel gespannen en heel bang. Ik wilde weer een leuk leven opbouwen met jullie.’

Gilberto veegt zijn tranen weg. Hij haalt zijn neus op. ‘Ik vind het altijd wel fijn, mam…’ Hij slikt een paar keer. ‘Als jij dit soort verhalen vertelt. Ik ga die tijd niet veroordelen, maar ik wil weten waar ik mijn gevoelens van nu aan kan linken in mijn verleden. Ik weet dat daar dingen zitten, in Kaapverdië. Maar ik kan daar niet meer naar terug, zelf. En dan stop ik die gevoelens weg. Omdat ik het niet begrijp. Ik wil antwoorden vinden. Dan kan ik alles eindelijk een plek geven. Ermee leren leven.’

De hand van zijn moeder ligt op die van hem. Hij legt zijn andere hand erbovenop, klopt zachtjes op die van haar. De fotograaf en ik kijken elkaar aan. We knikken en staan op. We nemen afscheid, Gilberto en zijn moeder praten verder.

De rest van de dag ben ik stil, verzonken in gedachten. Ik weet niet wat ik voel, wat ik denk. Ik zie alleen die beelden voor me, van Gilberto, van zijn moeder. Van die strijd; het niet weten waar je vandaan komt en waar je heen moet. Later op de avond stuur ik Gilberto een berichtje; hoe het met hem gaat. Hij zegt dat hij nog fijn heeft gepraat en dat het waardevol was. Ik stuur hem een kus.

Op deze pagina regelmatig het verhaal van de 'gewone man' (en/of vrouw). Omdat ieder zijn wereld heeft.

Ben leeft, dankzij zijn tumor

Ben Cornelis verloor zijn linkerbeen als gevolg van kraakbeenkanker. Juist die beperking gaf hem vrijheid. 'Ik heb niet de behoefte weer twee benen te hebben. Ik ben de tumor juist dankbaar.'

Strak klemmen zijn vingers om de handvatten van de krukken waarop zijn slanke, sterke handen steunen. Met het hoofd gebogen laat hij zijn ogen over het mulle zand gaan, van de ene dennenappel naar de andere. Steeds zoekend naar een plek daartussenin, naar houvast.

Sinds 2003 heeft Ben Cornelis alleen nog zijn rechterbeen. De prothese ter compensatie van zijn linkerbeen zette hij in een hoek. 'Daarmee lopen voelde onnatuurlijk', zegt hij. 'Nee, ik zou niet terug willen. Ik heb veel te danken aan de kanker. Als ik die tumor niet had gehad, zou ik hier niet wandelen.'

"Ik dacht: dit was het dan. Nu ga ik dood"

In de bossen rondom Rofra in Westerhoven wandelt Ben elke dag met zijn hond Diezel. Een ronde van drie kilometer in zo’n driekwartier. Als de vakantie nadert, bouwt hij het op tot vijf om fit met zijn vrouw Gemma de Oostenrijkse bergen in te kunnen trekken. Wandelen is een hobby van beiden. Vooral sinds Ben één been heeft. Daarvoor wandelde hij nauwelijks. Of nooit. 'Het was altijd druk in mijn hoofd, bezig met wat ik nog allemaal moest doen. De rust om buiten de vakanties de tijd te nemen voor een wandeling was er niet.'

Zijn lijf zei: stop. Kraakbeenkanker was de diagnose. 'De kans dat ik het zou overleven, was klein. Mijn leven flitste aan me voorbij. Ik reed naar huis en dacht: dit was het dan. Nu ga ik dood.' Toen hij het nieuws aan zijn omgeving moest vertellen, veranderde die houding. 'Ik had een kans, hoe klein ook.' Die kans hield hij anderen voor. En zichzelf. 'Vanaf dat moment ben ik er open en strijdbaar in gegaan.'

Wandelen is een hobby van beiden. Vooral sinds Ben één been heeft.

De eerste stap was een beenbesparende operatie in december 2000. Ruim twee jaar later bleek de tumor gegroeid te zijn. Een amputatie was de enige oplossing. 'Dat was slikken, maar ik had in 2000 al de keuze gemaakt dat het leven belangrijker was dan de dood. Dan maar met één been. Daarmee zou ik me wel redden.' Op het moment van ontwaken, confronteerde de realiteit Ben met zijn nieuwe leven. 'Onwerkelijk, je ik kon het niet geloven. Maar ik wilde vooruit, leren lopen met dat ene been. Tijdens het revalideren werd een prothese geadviseerd, maar pas daarmee voelde ik dat ik een beperking had. Met de krukken voel ik me één, zij zijn een onderdeel geworden van mij. Mijn armen dragen nu mijn lijf zoals mijn heupen dat ooit deden. Ik merk enkel nog aan anderen dat er iets met me is.'

Het leren lopen leek de moeilijkste opgave, maar het was slechts een begin van zijn nieuwe leven. Dat moest drastisch veranderen. Alleen dan kon de kanker overwonnen worden. 'Vroeger leerde ik op school dat vaste stoffen bestonden uit kleine, fijne deeltjes. Later kwamen ze erachter dat alles bestaat uit energie; in alles is een uitwisseling van energie gaande. Ook lichaam en geest zijn één. Dat is geen wijsheid die enkel toebehoort aan het verre oosten, maar eentje die ook is doorgedrongen tot ons in het nuchtere westen. Op het moment dat je niet handelt naar jouw natuur, naar dat wat je geest van binnen weet, wordt jouw energiebalans verstoord. Jouw handelen vreet op zo’n moment energie en dat werkt zich lichamelijk uit. Een ziekte is een signalering van je geest. Er gaat iets niet goed.'

In alle rust doet Ben zijn relaas, de woorden rustig uitsprekend terwijl zijn bovenlijf hem voortbeweegt op het ritme van zijn tikkende krukken. 'Ik wil niet beweren dat kanker per definitie een ziekte is waarbij er geestelijk iets niet goed zit. Ik kijk naar mijn ervaring, naar mijn wijsheden die ik eruit gehaald heb. Als ik niet had geluisterd naar mijn tumor, was ik nu dood. Honderd procent zeker.'

"Een ziekte is een signalering van je geest. Er gaat iets niet goed"

Wat er precies niet goed zat, kan hij niet in één zin vangen. Hij zoekt naar de woorden die het dichtst in de buurt komen van zijn gevoel, zijn blik nog altijd strak op de grond is gericht. Hij haalt een voorbeeld aan. 'Ik was altijd bezig met het goed te doen voor anderen, hen plezieren. Nu weet ik dat je alleen voor een ander kunt zorgen als je eerst voor jezelf zorgt.'

Hij had er de kanker voor nodig om dat in te zien. 'Voor mijn gevoel is mijn ziekte een herkansing geweest om te gaan leven. In feite was ik dood, van binnen. Ik leefde niet naar mijn natuur. Ik heb de kans gekregen mezelf te worden, te luisteren naar wat ik belangrijk vind. Niet dat je anderen jouw mening moet opdringen, maar je hoeft niet klakkeloos goedkeurend te knikken. Daarmee neem je jezelf niet serieus.' Individualiteit, het is iets anders dan egoïsme. 'Voor anderen bezig zijn, klinkt heel sociaal, maar als dat niet onvoorwaardelijk is, - je wilt er goedkeuring of bevestiging voor terug – dan is dat niet zo sociaal. Je geeft niet vanuit vrijheid, maar om iets terug te krijgen. Naar die vrijheid was ik op zoek. In mijn hoofd, in mezelf. Je bent op je best als je jezelf bent. Ik kan nu zeggen: ik ben mezelf.'

"Voor mijn gevoel is mijn ziekte een herkansing geweest om te gaan leven. In feite was ik dood, van binnen"

In de weg daarnaartoe bood Reiki hem houvast; een manier om energie op te nemen en door te geven. Hij begon ermee vlak voor de ziekte toesloeg. Al langer was er namelijk die drang rust te creëren in zijn hoofd. Daarmee had Ben precies op tijd de handvatten om zijn leven om te gooien. 'Mijn gedrag stamde uit mijn jeugd, mijn thuissituatie. Ik voelde me minderwaardig en de compensatie ervan is dat wat ik net benoemde. Ik startte met een Reiki-opleiding en ging met de thuissituatie aan de slag. Hoe kon ik die loslaten, er anders naar kijken? Niet meer als slachtoffer, maar als iemand die de keuze maakt de verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gevoel en gedrag.'

Langzaamaan kwam de verandering. Er kwam meer rust, meer tijd. 'Ik weet nu hoe ik kan genieten. Het klinkt raar, maar ik had geen idee. Mijn leven was vluchtig. Nu ga ik vaak tussen mijn werk als zelfstandig projectmanager door een cappuccino drinken op het terras. Het mooie vind ik dan dat er bekenden voorbijkomen die roepen: Jij neemt het er wel van, hè? Ja dat klopt, heel bewust. Mijn antwoord is dan ook vaak: Dat kun jij ook doen.'

"Je bent op je best als je jezelf bent. Ik kan nu zeggen: ik ben mezelf"

Ben lacht. Zijn bewegingsvrijheid nam af, maar er kwam een geestelijke wijsheid voor terug die hem meer vrijheid geeft dan zijn been ooit deed. 'Mensen zien mij als een man met een beperking, maar mijn beperking is juist weg. Ik kan meer dan toen ik nog twee benen had. Ik weet nu: je kunt alles bereiken wat je wilt. Als het maar dicht bij je staat. Ik moet niet proberen te fietsen, of een ladder beklimmen, maar dat wil ik ook niet. Het is de kunst uit de strijd te blijven die je toch niet kunt winnen. Te zien wat je allemaal nog wel kunt.' Hij ontdekte een deel van het leven dat hij nooit had gezien. Een deel dat in kleine dingen zit. Leren duiken bijvoorbeeld. En ja, wandelen. 'Het geeft zo’n kick om iets nieuws op te pakken en te ervaren.'

Dankbaar zijn om een tumor die hem zijn been kostte; het is weinigen gegeven. 'Dingen gebeuren niet voor niets. Het lijkt wel alsof heel veel dingen – hoe dramatisch ze aanvankelijk ook lijken – iets goeds brengen. Kanker krijgen is heftig, de dood in de ogen kijken evenzo, maar als mijn leven niet zo drastisch door elkaar was geschud, had ik het ook niet zo drastisch omgegooid. Dat was wél wat mijn leven nodig had. Weet ik nu. Nu ik gelukkig ben.'

Op deze pagina regelmatig het verhaal van de 'gewone man' (en/of vrouw). Omdat ieder zijn wereld heeft.

Een leven lang onbegrepen

Hij is beeldend kunstenaar, maar Harry Verhoeven zou ook als filosoof door het leven kunnen gaan. ‘Zolang ik me herinner, stel ik mezelf de vraag: waarom zijn de dingen zoals ze zijn? Waarom werd ik geboren? Waarom ben ik straks ook weer aan de beurt om te sterven?’

Harry1.jpg

Harry Verhoeven (65) duwt zijn karakteristieke ronde bril wat steviger op zijn neus. Alsof een heldere blik hem de antwoorden op zijn vragen zal brengen. Maar het zijn niet de antwoorden waarnaar hij zoekt. Dat wat hij niet kan begrijpen, laat hij liever onbegrepen. ‘Het grote onbekende vormt de drive om dingen te onderzoeken, om zingeving te ervaren. Niet het antwoord, maar de ervaring van schoonheid vormt daarin het grote doel.’ Hij heft zijn vinger op. ‘Dat had ik als kind al.'

Zijn blik gaat links door de werkkamer van zijn huis in Bergeijk, dan rechts. Beelden, schetsen, blokjes, schilderijen, tekeningen, papiertjes. Dan staat hij op. Verfspetters kleurden zijn spijkerbroek, zijn openslaande vest toont een glimp van zijn bretels. Hij sloft naar zijn bureau, zijn rug licht gebogen alsof die de last van een leven draagt waarvoor in zijn opgeruimde humeur geen plaats is. ‘Hier’, zegt hij, een papiertje tussen zijn vingers. ‘Het oog ziet alleen wat de geest bereid is te begrijpen.’

"Hoe rijper onze geest, hoe beter we de diepere lagen waarnemen van schoonheid"


Hij trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Als ge het nie wilt zien, dan ziede het ook nie. Hoe rijper onze geest, hoe beter we de diepere lagen waarnemen van schoonheid. Er is zóvéél om ons heen waaraan we voorbijgaan. Elke dag.' Zijn hand glijdt over de kast, langs verschillende prullaria. Takjes hop, stenen, blaadjes: ze zijn het fysieke restant van zijn beleving van schoonheid. 'De bereidheid van onze geest om de schoonheid erin te zien, heeft te maken met het ervoor openstaan; niet geblokkeerd zijn in je denken, niet geremd zijn door je opvoeding. Jezelf vragen stellen. Zolang ik me herinner, stel ik mezelf de vraag: waarom zijn de dingen zoals ze zijn? Waarom werd ik geboren? Waarom ben ik straks ook weer aan de beurt om te sterven? Op zoek naar de essentie van mijn bestaan. En dat zoeken... Dát is de essentie.’

Duivenhok
Lang zocht Harry naar het beste pad langs zijn vragen, op weg naar een toekomst. Zijn toekomst. ‘De hunkering naar schoonheid kon ik als kind met niemand anders delen. Ik voelde me onbegrepen. Als ik op zeldzame momenten een mening las die ook de mijne was, ervoer ik een genot; eindelijk die verbinding die ik nergens anders vond. In het oude duivenhok bij ons thuis creëerde ik mijn eigen wereld, en mijn ouders, broer en zussen lieten me begaan. Ik schilderde, ik tekende, ik knipte en ik plakte. Ik voelde dat ik tot creaties in staat was, maar het lukte me nog niet om er vorm aan te geven. Het niet kunnen uiten wat ik van binnen voelde, frustreerde me. En die binnengebleven creativiteit resulteerde in een minderwaardigheidscomplex. Nú kan ik mijn eigen vragen beantwoorden. Vroeger vond ik in mijn zoektocht naar houvast geen steun.’

"De frustratie over mijn leven werd de brandstof voor mijn creaties"


De idealistische denkwijze die hem in zijn jeugd onbegrepen liet voelen, vindt nog altijd maar moeizaam gehoor. De wereld is verrot, vindt hij. ‘Welk aspect je daarvan ook belicht: het onderwijs, de normen en waarden, de culturen. Máár. Op het moment dat je je bewust bent van die rottigheid, kun je er iets aan doen. En dat doe ik. Dat zie ik als mijn taak als mens. Ik heb een liberale geest. Ieder mens heeft de verantwoordelijkheid over zijn eigen leven. Ieder mens kan van zichzelf iets maken. Móet van zichzelf iets maken, dát is de verantwoordelijkheid. En te vaak wordt daaraan voorbij gegaan. Dan krijg je een cultuur waarin de gelatenheid regeert. Een cultuur van: als je een dubbeltje bent, zul je nooit een kwartje worden. Dan word je het nooit! Ik heb altijd de houding gehad dat ik mezelf van een dubbeltje tot een kwartje wilde ontwikkelen.’

Erkenning
Harry Verhoeven voelt het als zijn taak om als kunstenaar én mens een cultuur te creëren. Een wereld die de talenten van kinderen stimuleert en de ontwikkeling daarvan centraal stelt. Al die aspecten komen samen in het *techniekHuys in Veldhoven. ‘Mijn tegenhanger van de rottige wereld. Het is mijn autobiografie; een kunstwerk dat mijn zoektocht vormgeeft. De maakindustrie wordt door automatisering ontdaan van menselijke nijverheid en handelen. En de beroepsopleidingen zijn hun vormende waarde kwijt. Mensen raken daardoor steeds verder verwijderd van hun natuurlijke bron. Ik heb de stellige overtuiging dat het maken van dingen opgesloten zit in ons wezen. Het plezier, het genot dat je beleeft bij het maken van dingen, ís de essentie van ons bestaan. Die ervaring weegt niet op tegen welke stuiver dan ook. Als je geleerd hebt een mooi muurtje te metselen, zul je er nooit tegenaan gaan staan pissen.’

‘Of ik daarmee een kwartje ben geworden? Haha! Daar denk ik dikwijls over na. Wat ben ik nou eigenlijk geworden? Maar ik kan daar geen antwoord op geven. Ik weet het gewoon niet. Het leven is betrekkelijk, mijn leven... Het is mijn missie een cultuur te creëren, te veranderen. Mijn carrière creëerde het fundament daarvoor. Maar dat mijn werk niet volledig wordt herkend, ligt dat nou aan mij, of aan de maatschappij? Feit is dat het me toch wat pijn doet, of zo. Ik voel een teleurstelling. In mijn beelden en in het *techniekHuys komt alles samen wat ik kan. Méér kan ik niet. En toch klopt het niet; mijn werk zou bekender moeten zijn.’

"De beroepsopleidingen zijn hun vormende waarde kwijt. Mensen raken steeds verder verwijderd van hun natuurlijke bron"

Hij werpt een bedenkelijke blik op zijn tuin, naar de ijzeren beelden die zijn ontwikkeling als kunstenaar weerspiegelen. Als kind voelde hij de frustratie dat er niet uitkwam wat hij kon. Nu frustreert het hem dat alles wat hij kan er uitkomt, en het niet voldoende lijkt. ‘Het zou kunnen dat ik met mijn denkwijze vooruitloop op de massa. Dat het dus onmogelijk is dat hetgeen ik creëer, aansluit bij het collectief. Misschien geven mijn kunst en het *techniekHuys over vijftig jaar de kanteling van de tijdsgeest aan. Dat hoop ik.’

Hij geeft het toe: de erkenning is belangrijk. Ooit doodgaan met het idee dat enkel hijzelf tevreden was met zijn werk is niet bevredigend. ‘De erkenning vult een stuk onzekerheid, de reden om nooit tevreden te zijn en steeds opnieuw te zoeken in mezelf. Dat zoeken, leidt terug naar de essentie: waarom zijn de dingen zoals ze zijn?’

Puur
De vraag die hem als kind al bezighield, is meer dan ooit aanwezig. Hij ervoer de laatste jaren hoe fragiel de wezenlijke dingen in zijn leven zijn. ‘Ik was 27 en werd voor de eerste keer vader. Ik wist niet wat me overkwam. Het was zo intens; dat vredige kindje. Zo puur, zo mooi. Gewoon geluk.’ Na zes dagen zat hij met zijn vrouw bij de kinderarts: zijn dochter Saskia at moeilijk. ‘Ze bleek zwaar gehandicapt te zijn. Op het moment dat de arts ons dat vertelde, ging zijn pieper af. Mijn vrouw Trudy en ik keken elkaar aan. We voelden dat het om ons kindje ging. Inderdaad: Saskia had een hartinfarct gehad. Elke dag zou haar laatste kunnen zijn. We haastten ons naar haar toe. Ze lag in haar blootje in een couveuse, vol met pleisters en slangen. Vanaf dat moment wísten we niet alleen dat we onze dochter zouden verliezen. We beséften het.’

"Vanaf dat moment wísten we niet alleen dat we onze dochter zouden verliezen. We beséften het"


‘Saskia mocht mee naar huis, ze sliep bij ons op de kamer. Als het ritme van haar adem stokte, vlogen we op. Een normale nachtrust was er niet bij. De hulpverleners liepen de deur plat en vertelden dat dit soort situaties altijd tot scheidingen leidt. Ik heb ze allemaal buiten geflikkerd. Nog altijd heb ik een gruwelijke hekel aan hulpverleners. Ze maken meer kapot dan dat ze helpen.’

De handicap van Saskia was voor Harry en Trudy reden om niet nog een kindje te krijgen. ‘We wisten niet wat de precieze oorzaak ervan was; haar aandoening kon erfelijk zijn. Op haar zevende lag Saskia op sterven. Hoewel ze er wonderwel bovenop kwam, was het een nieuwe confrontatie met de realiteit. Die deed ons nadenken over de toekomst; die er voor ons een zou zijn zonder kinderen zodra Saskia ons zou verlaten. We besloten toch nog een keer vader en moeder te willen worden. Met alle risico’s van dien. Dat kreeg ik ook te horen. Er waren collega’s op school die tegen me zeiden dat het een asociaal besluit was. Ik heb nog nooit zoiets misselijks gehoord. Onze beweegreden was juist om vader en moeder te zijn, van wat voor kind dan ook. Voor ons was een nieuw ouderschap een teken van liefde.’

Hun tweede kindje Judith bleek kerngezond. ‘Toen zeiden ze dat de handicap toch niet erfelijk was.’ Ze kregen een derde kindje. ‘Onze Nadieh. Ze was nog maar half ter wereld toen ik het al zag; ze had hetzelfde als onze Sas. Ik kreeg de grootste ruzie met die arts. Hoe kon ik dat in godsnaam beweren? Hij zag niets afwijkends. Maar ik voelde het, ik zag het. Dit was niet goed.’

Niemand die hem wilde horen. ‘Ook Trudy niet. Ik stond alleen. Iedereen verklaarde me voor gek, noemde me een pessimist, ik was een zwartkijker en moest de wereld anders leren zien. Dat was verschrikkelijk, de moeilijkste tijd uit mijn leven. Ik wist al maanden dat ik opnieuw een gehandicapt kind had gekregen terwijl de hele wereld zei dat het niet zo was.’

‘Drie maanden later werd ik op een ochtend wakker en ik keek Trudy aan. Ik schrok me kapot. Ze had een ontstoken oog… Nou, niet normaal. Zó dik, alsof iemand erop getimmerd had. Maar vanaf dat moment besefte zij het ook: we hebben een gehandicapt kind.’

Hij zoekt opnieuw om zich heen, tast met zijn hand naar het papiertje dat hij even daarvoor vond. ‘Híer heeft het mee te maken.’ Het blaadje wappert tussen zijn vingers. ‘Het oog ziet alleen wat de geest bereid is te begrijpen. De geest van Trudy was er nog niet aan toe in te zien dat we opnieuw een gehandicapt kindje hadden gekregen. En dus vocht haar lijf daar tegen. Het was een gevecht tussen fysiek en geestelijk zien.’

"Ik wist al maanden dat ik opnieuw een gehandicapt kind had gekregen en de hele wereld zei dat het niet zo was"


Afscheid
Uit later onderzoek bleek dat Saskia en Nadieh pontocerebellaire hypoplasie hebben; een handicap waarbij de kleine hersenen niet goed werken en een kind geestelijk drie maanden oud blijft. Voor beiden bleek begeleid wonen noodzaak. ‘We konden ieder moment hét telefoontje ontvangen; dat één van hen gestorven was. Het was zondagmorgen 11 maart 2001, kwart voor acht. We lagen nog in bed en de telefoon ging. Trudy nam op. Normaal belde de verpleegster, nu was het de arts. Trudy wist genoeg. Ze vroeg meteen: Wie van de twee?. Het bleek om Saskia te gaan. Ze werd drieëntwintig jaar. Drieëntwintig jaar hebben wij met haar geleefd. Met de gedachte: als ze er morgen nog maar is.’

‘Ik maakte een kist voor haar begrafenis, haar silhouet in ijzer er bovenop. Trudy zelf gooide haar graf dicht. We wilden de werkelijkheid onder ogen zien.' De werkelijkheid van nu is dat Harry en Trudy dit jaar opnieuw een dochter verloren. Vijftien jaar lang leefden ze opnieuw met de angst ieder moment gebeld te kunnen worden. ‘Maar het overlijden van Nadieh kwam toch nog onverwachts. De dag ervoor had Trudy nog met haar geknuffeld en in die nacht is ze gestorven, gewoon vergeten dat ze moest doorademen. Dat maakt het voor ons draaglijk; haar vertrek was vreedzaam. Bovendien leeft voor Trudy nu het idee dat ze over het knuffelen heeft liggen dromen, daarin de tijd is verloren en vergat te ademen.'

Nadieh is 27 jaar geworden, een uitzonderlijk hoge leeftijd met haar handicap. 'Ook voor haar heb ik een kist getimmerd en ik heb voor hen samen een nieuw monument gemaakt, uiteraard van corten-staal. Nadieh is bij onze Saskia in het graf geplaatst... Het verlies van twee dochters is een kras op ons bestaan. Trudy en ik volgen ook hierin onze eigen weg. Het proberen te dragen van de pijn verbindt ons. We hebben de stilzwijgende afspraak dat we elkaar niet de put in praten.’

"Trudy en ik laten zien dat het ook kán: leven met de tragiek die ons trof"

Hij zucht: het is een wrange vergelijking, maar toch wil hij haar maken. Het is dát gezamenlijk delen dat ontbreekt in onze maatschappij. ‘Dat kan in één keer veranderen. Kijk maar naar de verbroedering als er een vliegtuig neerstort, als er een aanslag wordt gepleegd. Alleen: die verbinding beklijft niet. Enkel een fundamentele, essentiële gezamenlijkheid zorgt voor een blijvende verbinding. Vanuit verbinding ontstaat creatie. En creatie is het fundament van onze toekomst.’

‘Trudy en ik laten daarmee bovendien zien dat het ook kán: leven met de tragiek die ons trof. Honderd jaar geleden gebeurde zoiets in bijna elk gezin, maar tegenwoordig zijn mensen zo vlug dramatisch. Als een kind niet goed kan leren, vinden ouders al dat ze een gehandicapt kind hebben. De wereld leeft in een slachtoffercultuur. Trudy en ik zijn daar wars van.’

Hij schudt het hoofd. Nee, gemakkelijk is het niet. ‘En ook ik wapende me tegen de pijn. Het doet zoveel pijn om Saskia te moeten missen, dat ik afstand nam van Nadieh. Dat wil niet zeggen dat ik niet van haar houd. Maar het lukt me niet om het te dragen, nóg een keer zo’n verlies. Altijd die angst; dat elke dag haar laatste kon zijn. Ik liet en laat het gevoel van verdriet niet toe. Misschien steek ik mijn kop in het zand, misschien wel ja. Maar dat vergeef ik mezelf. Misschien zie ik het niet omdat mijn geest niet altijd bereid is te begrijpen dat de dingen zijn zoals ze zijn.'

Op deze pagina regelmatig het verhaal van de 'gewone man' (en/of vrouw). Omdat ieder zijn wereld heeft.

De dinsdag van Opi en Omi Brom

Per toeval schoof ik aan tafel bij Opi en Omi Brom. Uitgerekend op een dinsdag. De dag dat hun kleinkinderen op bezoek zijn. 'Ik kan uren over 't Stuivertje vertellen. Maar dat is niet verstandig.'

Het blauw van de lichtbalk bovenop de cabine glinstert in de zon. De sirene verstomde al jaren geleden, vertelt het voertuig dat in zijn reis door de jaren het oorspronkelijk wit is verloren. De brandweerauto rust fier naast de schuur van het rustieke optrekje aan het Eind in Riethoven.
Bij de voordeur geen bel. Wel twee stoelen die sierlijk de doorgang belemmeren; hier loop je gewoon achterom. 

Op het binnenplaatsje rusten drie kinderfietsen op hun standaard. Kleine lichtjes achter de keukenraampjes bieden zicht op een bewegende gestalte. Het silhouet van een vrouw krijgt een gezicht als ze zich richting het raam beweegt. De schuifpui piept open. Onder opgetrokken wenkbrauwen turen twee ogen door een klein montuur naar buiten.

De geur van verbrand hout ademt een warme eenvoud die in dit huis nog leeft


'Hallo?', klinkt het. 'De brandweerauto?' De vrouw draait zich om en werpt een blik naar een man. Aan de kop van de tafel bewaart hij het overzicht. Links en rechts van het eikenhouten blad klinken felle kinderstemmen. Hij trekt met zijn mond die daarna voorzichtig lacht. 'Hobby', zegt hij innemend. 'Af en toe rijd ik een rondje.'

De geur van verbrand hout ademt de warme eenvoud die in dit huis nog leeft. Aan de lampen hangen tientallen foto’s en kaarten. Elke hoek in het huis laat zien: hier wordt geleefd.
'Ik ben Lotte', zegt een blond meisje aan de rechterkant van de tafel. Ze wijst naar de drie jongens tegenover haar. 'En dat zijn mijn twee broertjes en Max. Wij eten elke dinsdagmiddag bij opi en omi. Straks na school komen mijn neefje en nichtjes. Dan eten we met zijn allen.'

 Opi en Omi Brom met hun kleinkinderen Joep, Gust, Max en Lotte.

Opi en Omi Brom met hun kleinkinderen Joep, Gust, Max en Lotte.

Appelbollen
Opi laat opnieuw zijn mondhoeken in zijn bolle wangen krullen. Nu niet als antwoord, maar van genoegen. 'Paul Brom', noemt opi zijn naam. Omi Mieke schuift nieuwe lekkernijen op tafel. 'Vanavond krijgen ze een maaltijdsoep van bonen en daarna pannenkoeken. Dat was de wens. Ze konden ook kiezen voor zuurkool of witlof.' Ze zet de koffie op tafel, net als de suiker en de melk. 'De kinderen eten eerder. Die gaan hockeyen. Dan zitten wij hier met acht of negen volwassenen aan tafel. Heel gezellig. We hebben vier kinderen. Serge, Niels, Albert en Marieke. Max is de zoon van een nichtje van mij, Carina. Haar ouders zijn overleden en dus zijn wij pseudo-opa en -oma voor Max.'

Vijfenveertig jaar is het stel getrouwd; even zoveel jaren als ze aan het Eind wonen. 'Ik werkte in Valkenswaard als particulier verpleegkundige. Zijn vader kwam bij ons.'
'Hier, snij jij die efkes?' En ze schuift de vers gebakken koeken onder de neus van haar man.
'Ik kom uit Valkenswaard', zegt hij.
'En omi is in de Tweede Wereldoorlog geboren. In België', klinkt het uit de mond van Gust.
'Dat is niet helemaal waar. In Reusel', zegt ze.
Dat zijn over de schutting gegooide Belgen', grinnikt haar man.
'Liefde op het eerste gezicht? Nee…. Ik kwam bij hem thuis en hij had appelbollen gebakken.'
'Dat doe ik nu niet meer, hoor.'
'Hij tracht af te vallen.'
Paul Brom lacht. 'Ik was een pitbull. Vasthoudend. Ik ben vier jaar jonger, maar leek ouder.'
'Hij was toen al kaal.'

't Stuivertje
Mieke ging uiteindelijk toch overstag voor de verzekeringsman. 'Nee, ik ben geen brandweerman geweest. De brandweerauto was van de BB: de Bescherming Bevolking. Daarna van het Rode Kruis. Nu van mij. Hij had heel weinig gelopen. Ik rijd soms een rondje. Dat vind ik mooi. En er zit een laadklep op. Handig voor het hooi voor de paarden. Nee, ik ben ook geen boer.'
Hij wacht even. 'Ik had jarenlang een tuincentrum. Welke? ’t Stuivertje. In Eersel. Ja, daar waar nu Oogenlust zit.' Hij trekt even met zijn mond. 'Ik kan er uren over vertellen. Maar dat is niet verstandig.'
'Op ’t Stuivertje was het altijd leuk', vindt Lotte. 'Er waren paarden. Daar ben ik gek op. Het was er heel groot. Toen opi en omi daar weggingen, hebben we een groot feest voor hen gegeven.'
'Een afscheid is moeilijk. Ja. Ja. Natuurlijk. Het is toch je levenswerk.' 

"Woede? Nee, die ken ik niet. Spijt? Ook niet. Zeer, dat doet het wel"


Citroën
Zijn vrouw knikt innemend. Hij vouwt zijn korte vingers in elkaar op zijn uit stekende buik. Zijn toon is kalm, zijn woorden zacht. 'Vijfendertig jaar. We hadden grootse plannen. Maar ik zei al: het is niet verstandig daarover te vertellen. Ik zal je nog eens een hobby laten zien.' 
Hij duwt zich uit zijn stoel, schuift de deur open en stiefelt over zijn erf. Hij wijst naar de schuur. 'Kijk maar eens.' Opnieuw een vrachtwagen. Niet van de brandweer, maar groen en wit; een Citroën. 'Hij is net terug van de spuiter. Ik moet hem nog wat afwerken. En dan? Dan gaan we toeren. Waarnaartoe? Geen idee. Dat zien we wel. Dat is het mooie. Ik moet niets meer nu de zaak verkocht is. Ik heb zat te doen, maar de noodzaak is weg. Wennen? Nee, ik bouwde tijdens de laatste drie jaar van ’t Stuivertje al af. In 2008 zou het verkocht worden, maar wegens de crisis ging dat niet door; een maand voor de overdracht. Dus toen zat ik daar maar. Tot 2011. Toen kwam de verkoop er alsnog. De man die het kocht, gaat met de dochter van de wethouder. Ze hebben me gewoon goed bij mijn neus gehad. Maar nogmaals: het is niet verstandig daarover te vertellen.'

"Als ge tegen het gemeentehuis aan pist, droogt dat nooit op"


Doodzonde
Hij loopt de schuur uit. Zijn hoofd gebogen als hij in gedachten teruggaat in de tijd. 'Het blijft doodzonde. Dat wel. Toen wij er zaten, mocht er niks. Geen woonhuis bouwen, de kwekerij niet uitbreiden. Nu staat er een woonhuis en al. De waarde van de grond is enorm gestegen. Ik heb er goed aan verdiend, daar niet van. Maar het had nog meer kunnen zijn. Och, het gaat me ook niet om het geld. Ik wilde daar gewoon echt iets van maken, iets moois neerzetten. Dat probeerden we. Maar nee, dat is niet gelukt. Woede? Nee, die ken ik niet. Spijt? Ook niet. Zeer, dat doet het wel. Ja. Ja. Door alles wat eromheen hangt. Maar als ge tegen het gemeentehuis aan pist, droogt dat nooit op. Het is nu eenmaal zo.”

'En nou heb ik het toch verteld. Och ja, het hoort bij mijn leven.' Hij haalt zijn schouders op en loopt van de Citroën naar zijn brandweerauto. Hij recht zijn rug. De glinstering van de lichtbalk lacht hem toe.

Op deze pagina regelmatig het verhaal van de 'gewone man' (en/of vrouw). Omdat ieder zijn wereld heeft.